Verhalen (niet af)

De jongen van stroom. 

Ik zat op zolder. De hele dag lang was er geen zon geweest, niemand had ooit zoiets beleefd. Nee, juist het tegenovergestelde weer was het. Het stormde. Mijn familie was bang de schuilkelder ingevlucht, want zo’n erge storm als dit hadden zij nog nooit meegemaakt. Ik wilde niet mee de schuilkelder in, nee ik wilde kijken naar het neerkomende water, de oplichtende straten bij iedere bliksemschicht en een vlaag van angst door mij heen voelen razen bij iedere schok tegen de aarde. Kortom, ik was Fred

Toen ik 8 jaar was, speelde ik wel eens buiten. Op een dag, dat ik buiten speelde, was er een storm op komst. Iedereen was naar huis gegaan, maar ik niet, ik bleef vrolijk en niet-beseffend in mijn zandbakje genieten. Ik was niet weg te krijgen. Het begon opeens uit het niets te regenen. De donder kwam ook opzetten.
Opeens! Een flits! Recht op me af. Ik werd geëlektrocuteerd. Maar ik overleefde het. Niemand had het gedacht. Sindsdien denk ik altijd dat ik een beetje stroom geef, een beetje elektrisch ben. Vanaf dat moment was ik onvoorwaardelijk verbonden met de storm en de bliksem.

Ik dacht na, en keek naar mijn weekplanner op de muur. Een afspraak met Lois? Was dit een date? Ik wist helemaal niks meer.. Hoe kan dit!?
De onweer werd alsmaar erger en erger, het leek of er iets gedaan was met het weer. Misschien een of andere mafkees die een weer regelaar had gemaakt? Want ja in 2386 kun je toch van alles ontdekken, dacht Fred.

Ons dorpje lag in een dal, we hadden een kleine heuvel naast ons dorp liggen, vandaar dat ik het dorp in een dal vind liggen. Vroeger speelde ik daar vaak, want er was een speeltuin met een leuke zandbak. Dat was ook de plek waar ik geraakt was. Fred keek omhoog naar de heuvel. Hij zag iets bewegen! Het glinsterde in het donker. Leek het nou zo, of was iemand die storm aan het bewegen? Hoe dan ook, nadat de mysterieuze schim verschenen was, vervaagde de storm tot zo minimaal, dat de blaadjes aan de bomen veilig waren en de vogels weer zelf hun vleugels moesten wieken.

Maar weer terug naar de date. Lois was een mooi meisje uit zijn klas, het leek hem sterk dat het een date was. Hij kende haar immers al een hele tijd! Misschien was het een hulples? Fred griste nog steeds in het duister. Hij besloot naar de beruchte zandbak op de heuvel te gaan. Toen hij daar aankwam zag hij dat de heuvel een uitzicht gaf over het hele dorpje. Dat had hij zich niet zo herinnerde van vroeger. Misschien was hij toen nog te klein om over de rand van de heuvel te kijken.
Hoe dan ook, om de een of andere reden concentreerde Fred zich op de wolken. Ze kwamen ze op hem af! Het leek wel of hij ze kon besturen! Maar al na 5 seconde was Fred zo uitgeput van het concentreren dat hij neerviel. De wolken gingen weer met de wind mee. Opeens klonk een zware stem: ‘Sluit je aan.. Sluit je aan.. Word net als mij, sluit je aan…’ Fred had geen idee waar het vandaan kwam, het leek wel of de wind de stem meevoerde! Toen hij weer uitgerust was ging hij naar zijn huis. Hij zag Lois de deurbel indrukken net toen hij achterom wilde gaan. Snel rende hij naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Wat! Ben je onze afspraak vergeten! Te laat oké, maar vergeten! Ik heb je er gister nog over gebeld! Ik vroeg of je naar mij wilde komen om een filmpje te kijken! Tss! Je hebt dus blijkbaar geen interesse in me.. Dan ga ik maar weer.’ ‘Wat? Had ik dat gezegd? Sorry Lois maar ik weet echt niks meer van de afgelopen weken. Het zal raar klinken, maar na die storm van vandaag herinner ik me weinig.’ ‘Oh wat een slappe smoes! Ik dacht dat je me wel leuk vond. Dat dacht ik dus helemaal verkeerd! Trouwens, hoe kom je op een storm? Het is bijna zomer! Het heeft al een paar weken niet geregend! Ha! Je bent echt niet goed bij je hoofd.’ Beledigd liep Lois weg. Ze had Fred met open mond verbaasd achtergelaten. Was ik dan de enige die de storm had gezien? Had meegemaakt? Is dit alles wat net gebeurde eigelijk NIET gebeurd? Maar ik had mijn familie toch de schuilkelder in zien gaan? Ik hoorde ze toch gewoon tegen mij praten? Snel liep hij het huis in. Moeder zat gewoon op de bank tv te kijken. Vader was rustig bezig in de keuken. Broertje Marcel en zusje Gila zaten op hun kamers. WAT IS HIER AAN DE HAND?

Ik liep naar de keuken om water op te zetten, maar het gas wilde niet werken. Ik bleef maar proberen en proberen, maar het wilde niet baten. Zo boos als dat ik werd, en kwaad als dat ik keek, zo ineens deed het fornuis het weer. Hm raar. Ik zette de theekan erop en liet het water koken.
Daar zat ik lekker aan mijn thee, te genieten van het lekkere weer. Maar ondertussen werd er een paar keer op de deur gebonsd, wat ik pas na een paar keer doorhad. Verbaasd liep ik naar de voordeur om ‘m open te doen.
‘Hé wat is dit nou, waarom staat er niemand voor de deur?’ Gauw liep ik naar buiten om te kijken hoe en wat, maar ik gleed uit. Er lag iets glibberigs op de grond. Ik keek een klein beetje versuft om me heen, toen ik iemand weg zag rennen. Ik stond zo snel mogelijk op en begon ook te rennen, maar de gedaante was zo vlug dat ik het niet kon bijhouden. Ik ging terug, want ik had de deur helemaal niet dichtgedaan. Maar tot mijn verbazing was de deur dicht. Ik probeerde de deurklink omlaag te halen, maar dat lukte niet. ‘Waarom lukt dit niet, is er wat met dit stomme huis of zo? Eerst het fornuis nu de deur.’ Ik liep achterom in de hoop dat ik die deur niet op slot had gedaan. Het maakte niets uit, ook die deur zat dicht. Ik bonkte zo hard ik kon op de deur, tikte op de ramen en schreeuwde in hoop dat iemand binnen het hoorde. Er werd niet open gedaan. Ik dacht na en werd verdrietig. Opeens keek ik omhoog. ‘Als ik nou eens via de regenpijp naar boven klim en op dat randje ga staan,’ zei ik tegen mezelf. Ik had dat bedacht omdat het zo ook altijd in van die actiefilms van eeuwen geleden ging. Proberen kan ik altijd dacht ik en daar klom ik. Halverwege de regenpijp keek ik naar beneden, nog geen hoogtevrees. Ik stond op het randje, in rek stand en probeerde op mijn kozijn te komen. Één…twee…en slingerde mijn been op het kozijn, pakte een randje van mijn raam vast en daar stond ik met 2 benen op het smalle kozijntje. Nu de ramen open en dan ben ik binnen, dacht ik.

’Hallo? Wie is daar?’
‘Mam, mam ik ben het Fred!’ Ik rende naar beneden.
‘Hallo!? Dit is niet grappig laat je zien! Ik heb een mes in mijn handen hoor!’
‘Mam?’
Moeder zag me nog niet… Hoe kan dit? Waarom ziet ze me niet staan? Ik pakte een papiertje en schreef er wat op; Mam ik ben het, Fred.. Waarom kun je me niet zien?
Ze schrok, ze zag het briefje liggen.
‘Wie, hoe, wat? FRED!!! Waar ben je? Waarom haal je dit grapje met me uit? Het is niet grappig!’
Ze liep dwars door me heen. Nó, hè, wat! Ben ik.. Dood? Nee ik stond nog op het kozijn toch? Ik ben niet gevallen.. Ik pakte het papiertje en ik schreef de vraag; ben ik dood, dat je me niet kunt zien? Ze kwam terug en ze las het. Ze pakte een pen en schreef nee, je ligt in het ziekenhuis al 4 weken.
‘Ben jij dat echt Fred?’ Ik schreef ja, en toen was alles voorbij.

Ik was gevallen toen ik op het kozijn stond, geen hersenschudding geen gebroken been of nek. Alleen wat blauwe plekken, poeh wat had ik dan een mazzel. Maar wel een vreemde droom! Ik liep om het huis heen, maar net als net waren nog steeds de deuren dicht. Ik was het zat, ik pakte een tuinstoel en gooide het door het raam. Er was veel lawaai, en veel glasscherven om mij heen. Voorzichtig liep ik naar binnen, ik riep.
‘Gila? Mam, pap? Marcel dan? Is er helemaal niemand thuis?’
Ik rende omhoog, toen weer naar beneden. ‘In de schuilkelder! Ze zitten daar!’ Ik rende omlaag, deed de kelderdeur open en tot mijn schrik was daar ook niemand. Huh? Net. Net waren ze nog thuis. Ik belde naar mijn ouders mobiel. ‘Dit is het antwoordapparaat van 0656389053 spreek een boodschap in na de piep’ zei de elektronische stem.
‘Met Fred, als jullie dit horen bel dan gelijk naar huis, er is iets vreemds aan de hand!’ ik hing op.

Mijn telefoon ging, ik schrok. Turend naar het beeldschermpje kwam ik erachter dat het een onbekend nummer was.
‘Met Fred Hooiga.’
‘Sluit je aan..Sluit je aan.. Word net als mij,’ klonk het aan de andere kant van de lijn. ‘Nee, ik wil me niet aansluiten!’
‘Hier zul je spijt van krijgen Fredje… Heb je het nou echt niet door wat er allemaal gaande is? Ghehe, dan niet. Je komt er nog wel op terug, als het te laat is.’ Er werd opgehangen.
Ik was een beetje bang geworden van de zware dwingende stem. Wat zou die engerd bedoelt hebben? Dat interesseerde me nu vrij weinig, ik moet de rest vinden. En vinden zal ik ze! Dacht ik.
Ook nu zocht ik weer. Ik rende de trap op, ‘mam, pap?’ Geen antwoord. Ik rende naar de schuilkelder, ook weer was daar niemand. Haastend en vol verwarring rende ik naar de schuur, pakte mijn fiets en ging snel naar tante Loes. Rood en hijgend kwam ik daar aan, ook daar niemand. Ik belde nog 2 keer aan voor ik weg ging. Liep van het pad af, weer terug naar mijn fiets. Tot mijn verbazing waren er helemaal geen auto’s op de straat aan het rijden, er liepen geen mensen zoals gewoonlijk. En in het parkje verderop waren geen kinderen…
In mijn ooghoek zag ik iets bewegen, ‘paf’, een klap tegen mijn hoofd. ‘Paf’ nog een. Ik voelde mezelf licht worden in mijn hoofd en verloor mijn evenwicht, ik viel.
Na een korte tijd deed ik mijn ogen weer open, ik zag een gedaante vlak voor mijn neus. Wie was het die mij zo hard geslagen had? Ik keek omhoog, kon het gezicht niet duidelijk zien, er hingen haren voor zijn gezicht. Tenminste ik nam aan dat het een man moest zijn aan de klap te voelen. Ik wou uithalen maar de man deed een stap achteruit. ‘Doe nou geen domme dingen Fred…’
Ik wilde de man weer slaan, maar weer was hij me te snel af. Hij trapte me in mijn maag. ‘AU!’ Een pijnschuit drong via mijn maag door naar mijn hoofd, alles voelde beurs, en alles bonkte.
‘Ik had je nog zo gewaarschuwd! Jij bent echt hardleers.. Wie niet horen wilt moet maar voelen zegt het oude gezegde hè.’
Ik kreunde van de pijn, ‘flikker waarom doe je dit!?’
‘ Jij hebt iets wat ik graag wil, tenzij je mij helpt blijf je voor altijd in deze tussendimensie… Aan jou de keuze, en je hebt mijn nummer al, dus als je weet wat het word, bel me dan maar’
‘Maar… Maar…’ en weg was de man.

Wie was het? Wie flikt dit nou aan iemand die hij helemaal niet kent. Trouwens wat heb ik wat hij wilt!? Hij dacht diep na.
‘Ik weet het, het is mijn gave!’, zei hij vol woede in zichzelf. Maar hoe, hoe weet die mafkees dat nou, dat ik een gave heb! Hij dacht na, wie heb ik het verteld. ‘Hm, voor zo ver ik weet, weet niemand dat ik dit allemaal kan… Ik heb het alleen in m’n dagboek geschreven.’
Natuurlijk dat is het! Het is mijn dagboek die gestolen is, ik dacht nog wel dat hij gewoon ergens in mijn kamer rondslingerde. Maar nu, ik weet zeker dat ‘hij’ mijn dagboek heeft, het moet wel, er is geen andere optie.
Snel zocht hij een fiets en snelde naar huis. Snel, alle stoplichten rood. Maar geen auto’s te bekennen… Hij reed nog sneller. Ik moet het weten, wie is dit, wie is die vreselijke man? In de verte verscheen zijn huis al. Het leek alsof er iets mis was, er zat zo’n rare gloed om het huis. Een die hij al eerder gezien had, zou dit wat met die gozer te maken hebben? Maar waarvan was die gloed nou ook al weer… Was dat niet toen hij was opgestaan na zijn val van het venster?
Hij zag iemand bewegen, en hij was nu wel heel dichtbij het huis. Snel graaide hij in zijn zakken, ‘waar is dat verdomde zakmes nou gebleven!? ‘ ik raakte een beetje overstuur maar bleef doorrijden. Dit moest over zijn, voor eens en voor altijd. Ik wou naar huis.

De gedaante in de verte rende op Fred af, en Fred begon ‘m een beetje te knijpen. Het was een man met lang haar. ‘Hm, dat kon ik me niet herinneren dat de man lang haar had.’ En naarmate de gedaante dichterbij kwam, herkende hij een meid in. ‘Dat was niet de persoon die me hier heeft opgesloten, dat kan niet! Het is een meisje.’ Het was…Lois…
Fred keek verschrikt naar Lois die nu voor hem stond.
‘Heb jij dit gedaan, of niet?’
‘Nee Fred, ik was hier ook ineens. Waar zijn we eigenlijk? Wat is dit voor plaats. Jouw ouders waren niet thuis, maar mijn ouders ook niet.’
‘Dat had ik door inderdaad. Maar, hoe ben jij hier gekomen. Heb je geen gedaante gezien?’
‘Het was een engerd! Een litteken op zijn wang, een heel grote. Net of het verkeerd was gehecht. En zijn haar zat vies en het leek vlassig.’
‘Is het een bekende, of had je ‘m nog nooit gezien?’
‘Nog nooit gezien. Maar waarom juist wij? Wat heb je trouwens een rode mondhoeken.’
‘Ooh ja dat is niks. Lois, ik hoop dat je nu ziet dat ik niet expres onze afspraak ben vergeten’
‘Dat snap ik. Ik wist niet dat het zó gecompliceerd lag.’
‘Ik ook niet, eerst. We moeten hier vandaan zien te komen.’ Ik dacht na, maar kreeg geen ideeën.





‘It’s him, but it isn’t him…’

‘It’s him, but it isn’t him…’
Deze zin spookte door mijn hoofd toen ik Piet zag. Wat doet hij raar! Als een gek sloeg ik aan het denken, wat moest ik tegen hem zeggen? Ik zeg ‘hoi’ en vraag hem hoe het gaat. ‘Goed’ en hij liep door. Wat is dit nou, dacht ik. Ik besloot hem achterna te gaan om te kunnen ontdekken waarom hij zo deed. Hij sloeg links, toen rechts, hij liep door het park en toen… Begon hij te rennen. Ik rende niet.

‘Waarom volgde je me gister? ‘ vroeg Piet kwaad. ‘Ik, ik dacht… Laat maar zitten, ik weet niet waarom.’ Ik durfde het hem niet te zeggen, ik heb hem echt nog nooit zo gezien. ‘Oh, nou bemoei je met je eigen zaken lul! Wat ik doe heb jij geen boodschap aan’. Ik kijk hem verbaasd aan, waarop hij kwaad naar mij terug kijkt. Ik sla mijn ogen van hem af, zoekend waarheen ik kijken moet. ‘Sorry.’ Hij kijkt op zijn beurt verbaasd naar mij. ‘Ach man, zo bedoel ik het ook niet, ik vind het gewoon niet fijn als iemand zich met me bemoeid.’ Ik zeg hem dit niet meer te zullen doen. Hij knikt en weg is hij.

‘Hé man, heb je het voor me?’ vraagt Piet aan een gozer. ‘Wat denk jij nou? Tuurlijk!’ De gozer overhandigt het zakje aan Piet en hij geeft hem zijn geld. ‘Thanks man.’ en Piet loopt weg.
Heel toevallig liep Tanja net door die steeg toen ze Piet zag. Ze verstopte zich achter een container en volgde de korte ontmoeting. Gauw belde ze mij om te vertellen wat ze gezien had. ‘En hij nam wat aan en gaf er geld voor terug! Straks is het drugs’ schreeuwde Tanja paniekerig door de telefoon. Mijn hart ging als een bezetene tekeer, zou hij zo stom zijn? Mijn beste vriend die ik al vanaf jongs af aan ken, die ó zó tegen drugs was, aan de drug? ‘Sorry Tanja, ik denk dat het wat anders was.’ zei ik haar vriendelijk. Ik zeg haar gedag en hang op.
Vandaar dat hij zo vreemd deed!

De volgende dag ging ik met hem zeilen, wat we al vanaf onze 14e samen deden op de vrijdagavond. We hadden onze standaard spullen mee, hapjes e.d. Onder het zeilen vroeg ik het me toch erg af, en hij zag het ook aan mijn gezicht. ‘Wat zou jij doen als iemand die jij goed kent waarschijnlijk aan de drugs zit, maar dat je het dus niet zeker weet?’ vroeg ik hem.
‘ Wat ik zou doen, ik zou het hem rechtsreeks vragen. Het is niet leuk om het te vragen, of om die vraag naar je toe te krijgen, maar het is wel beter… Dan weet je tenminste hoe het echt zit.’
Ik dacht na. Dit is het goede moment, en ik vroeg het hem. ‘ Piet, ben jij dan aan de drugs?’
‘Ja ik ben aan de drugs, en nu? Wat wil je met deze informatie doen?’
‘Niks, er valt voor mij weinig te doen. De keuze is voor jezelf of je ermee door wilt gaan of dat je stopt.’
We zeilden verder maar we hadden er beide weinig zin meer in.

Thuis dacht ik na. Dat ging wel erg makkelijk… Zal z’n vrouw ervan af weten?
Ik belde en kreeg Piet aan de telefoon kut!. ‘Hé Piet, ik ben mijn zeilhandschoentjes kwijt, heb jij ze toevallig gezien of meegenomen?’
‘Nee, ik kijk van de week wel even, fijne avond nog’
Tuut tuut tuut…! Hij had gewoon opgehangen. Ik was verbijsterd, want dit had hij nog nooit gedaan.
Ik lag in bed… ‘Verdomme, ik raak mijn vriend kwijt!’ Alles kwam op me af. De muren, het bed leek te beven. Het licht, ging aan en uit, aan en uit. Wat is dit!? ‘Kappe met die gare zooi! Kappe!’ Ik schreeuwde zo hard ik kon.
Ik werd wakker badend in het zweet, vol paniek. De enige conclusie die ik kon trekken, er gaat wat ergs gebeuren, iets vreselijks.
7.00uur
Tringg…tring… Ik nam op.
‘Hé Mark, ik heb je handschoenen niet gevonden, sorry man. Dat word nieuwe kopen.’
‘Agh, nou ja misschien vind ik ze nog wel. Maar eh… zo vroeg naar de boot gegaan dan?’
‘Ja, kon niet slapen. Maar ik moet gaan, doei!’
‘Doe….’ Tuut..tuut.tuut..
‘Hij voert wat in z’n schild, ik weet ’t zeker!’

8.00uur
‘Hoi met Lia’
‘Ha die Lia, Mark hier. Ik heb een vraag want piet doet nogal vreemd de laatste tijd, weet jij hoe dat zit? Merk jij dat ook?’
‘Ja inderdaad, maar ik weet niet wat het is.’
‘Hij is aan de drugs, maar op een of andere manier geloof ik dat niet. Ik dacht dat jij me wel verder kon helpen, maar ook niet dus.’
‘Ik zal hem goed in de gaten houden, zou jij dat ook willen doen?’
‘Ja natuurlijk, ik laat het je weten wanneer ik meer weet.’
‘Dankje! Doei!’
‘Doeg.’

Ik liep over de markt. Het was rustig. Vreemd, het is altijd druk op Woensdag. Mensen staarden me aan, en was ik voorbij dan keken ze me nog na. Is er wat met me, vroeg ik mijzelf af. Ik liep met flinke stappen door en haalde wat kattenvoer. Gauw weer terug naar huis.
Ik zetten de computer aan, zetten ondertussen ook de koffiezetter aan omdat het opstarten altijd een eeuw leek te duren. De koffie was klaar, en ik liep met een mok koffie terug naar de computer. Voerde mijn wachtwoord ik en nam een slok van de nog hete koffie. ‘Au’ en zetten gauw de koffie op mijn bureau. Ik keek weer naar het beeldscherm, toen het gebeurde. Internet opende zichzelf, Google, moord. Alles vulde zichzelf in, in de tekstbalkjes. Piet Vermeulen vermoord. Het werd aangeklikt, het beeld raasde langs. Piet Vermeulen vermoord. Hij is gevonden bij een steegje van de Parallelweg. Drie messteken in zijn borst, en vermoedelijk is hij op Zaterdag 16.50 gestorven.
Het ging allemaal kriskras door mijn hoofd. Alles ging langs me heen, het draaide. ‘Bam’

Ik werd wakker.





The Floating Death


1. Het was dag één van mijn avontuurlijke tocht.

‘‘Hallo, is daar iemand?’’
De wind suisde langs de ramen, de deur leek uit zijn scharnieren te vliegen.
‘‘Halloooo!?’’
Niemand antwoordde. Wat deed ik eigenlijk in deze ruimte? Wat deed dat roer voor mijn neus? Pas nu merkte ik dat ik al die tijd het roer al vast had. Ik zocht verward om mij heen, maar durfde het roer niet los te laten. Straks zou er wat ergs gebeuren. En tóch liep ik naar de ietwat kleine deur. Probeerde deze te openen, maar het lukte niet. Op dat moment zag ik iemand lopen. De persoon droeg een lantaarn, dat was ook de enige reden waarom ik hem had opgemerkt. Zijn hoed zag er echt vreselijk groot uit. Ik vroeg mijzelf af of dit tegenwoordig in de mode was, om er weer ‘19e eeuws achtig’ uit te zien. Het lantaarntje leek dichterbij te komen, en er ging een rilling over mijn rug. Wie zal die man zijn? Dacht ik.
En ineens, stond hij daar. Recht voor mijn ogen, alleen een stuk glas er voor. Hij keek me met grote ogen aan alsof ik een spook was. Snel opende hij de deur met de woorden ‘‘Mevrouw, wat doet u hier?’’
‘‘Mevrouw, ik een mevrouw? Hè verdorie, wist ik dat zelf maar!’’
‘‘U moet onmiddellijk mee komen naar uw kajuit, niemand mag u zien.’’
Ik gehoorzaamde, ondanks dat ik de vreemde man niet kende. Hij gaf me toch een soort van vertrouwelijk gevoel.

Het water spatte over de reling, het was lastig om mijn evenwicht te houden. En wat ik nu ontdekte was dat ik lang haar had. Het zwiepte steeds in mijn gezicht. En nog vreemder, ik droeg een jurk! Zo ben ik helemaal niet gaan slapen, dacht ik. We liepen door een smalle, slecht verlichte gang.
‘‘Eveline, uw kamer is hier.’’
Ik werd haastig de kamer ingeduwd, maar draaide me gelijk om.
‘‘Ik heet geen…’’ De deur werd alweer dichtgegooid.
‘‘Waarom… Hoe… Waar…?’’
Gauw liep ik naar de spiegel die ik zag hangen. Ik keek erin, maar ik viel gelijk op de grond van het beeld dat ik zag. Het was een mooie vrouw met lang rood haar. Het rode haar zorgde er voor dat haar jukbeenderen leken als die van een engel. Een jurk tot bovenaan dichtgeknoopt. Snel stond ik weer op en keek met grote ogen naar de spiegel.
‘‘Dit ben ik niet.’’ Was het enige wat ik kon uitbrengen.
Ik kneep in mijn gezicht, stak mijn tong uit. Allemaal dezelfde bewegingen als die ik maakte, verschenen in de spiegel. Mijn spiegelbeeld deed exact hetzelfde, ondanks dat ik het niet was. Snel veegde ik de ordinaire rode lippenstift van ‘mijn’ lippen.
‘‘Wie ben ik!?!!’’



2. Opstaan en door gaan.

De zon kwam op. Ik hoorde een haan kraaien.
‘‘Lieverd? Ik heb net toch zo raar gedroomd.’’
‘‘Schàààt…’’ kwam het er moeizaam uit, ‘‘Ik lag nog te slapen.’’
‘‘Ja maar, het leek alsof ik écht op dat schip was.’’
‘‘Waar heb je het allemaal over? Ga nou weer slapen zeg.’’ En Mike kwam een klein beetje omhoog.
‘‘Nou, mijn droom, weet je wel. Ik was op een schip.’’
‘‘Ja, en?’’
‘‘Laat me dan vertellen! Ik had lang rood haar en droeg een jurk tot bovenaan vastgeknoopt. Ik had hele lelijke rode lippenstift op.’’
‘‘Maar lieverd, betekent dit dat je nu voortaan ook eens een jurk aandoet? Want zelfs toen we trouwden vertikte je het een jurk te dragen.’’ Mike begon te lachen. ‘‘Dat zal dan wel het raarste deel van je droom zijn geweest.’’
‘‘Ik weet het niet, het zal allemaal wel.’ Boos draaide ik me uit bed. ‘‘Sukkel.’’ Mompelde ik half binnensmonds.
Ik liep naar de deur en ging naar de wc. Ik moest opeens ontzettend nodig plassen, het was zo’n drang dat je krijgt als je een straal water ziet lopen en je nog niet zo nodig moest.
Toen ik het bad zag, kreeg ik enorme zin om lekker mijn dag in bad door te brengen. Relaxen en geen gezeik. Maar helaas de werkelijkheid was wel anders, dus ik liep naar de slaapkamer, pakte mijn kleding en ging even gauw douchen. Het water stroomde over mijn koud geworden lichaam, het was heerlijk. Ik zeepte mezelf in en spoelde mijn haren uit. Op dat moment voelde ik mij begluurd.
Ik spoelde me gauw verder af, en kleedde me aan. Ondertussen keek ik of er niet iemand stond te kijken. Dit was alleen nog maar het begin van wat ging komen.

Cornflakes, melk, brood, eieren, ham, spinazie.
Ik liep door de supermarkt en nog altijd was dat vreselijk grote ding een doolhof voor me. Kijkend op de pakken, baande ik me een weg door de winkel. En zo ging dat door totdat ik een heel vreemd pak zag staan. Het was een soort van pap, maar op de doos stond een man met een vreselijk grote hoed. Die hoed had ik eerder gezien. Het was precies zo een hoed als die man gedragen had. De man in de droom die mij ‘Eveline’ noemde.
Ik haalde het pak uit het schap en bekeek het. Er stond vrijwel niks belangrijks op. Maar toch nam ik het mee naar huis.
‘‘Bliep, bliep, bliep, bliep… Error!’’
‘‘Mevrouw, de kassa geeft aan dat wij dit product niet in ons filiaal verkopen. Ik denk dat u dit er per ongeluk bij gelegd heeft, of niet soms?’’
‘‘Nee hoor, het stond daar ergens’’ en ik wees naar een gangpad.
‘‘Ik vraag het wel even aan mijn collega. Karin voor kassa één, Karin voor kassa één. Verkopen wij een soort van pap genaamd ‘zeemanspap’? Nee? Oké bedankt Karin! Sorry mevrouw wij verkopen dit echt niet, neem het maar weer mee naar huis.’’
De caissière dacht zeker dat ik gek was. Dat ik mijn boodschappen van huis meenam om het vervolgens weer opnieuw te kopen. Ik ging er verder maar niet meer op in, want ik had immers een heel schap gezien met deze rare pap.
‘‘Fijne dag nog mevrouw,’’ zei de caissière vriendelijk.
‘‘Dank je, insgelijks!’’ En ik liep met mijn boodschappen naar de auto. Vreemd, héél vreemd.

Ik kwam thuis en gooide mijn boodschappen op het aanrecht. Ik liep naar de stereo, en pakte de cd van Krezip. Draaide de volumeknop bijna op zijn maximum en ging even uit mijn dak. ‘Wat nou ik ben gek? Bij iedereen gebeurt wel eens wat. Ik moet niet zo zeuren met dat gevoel van dat die droom iets betekent. Dat stomme pak pap is gewoon toeval. Hè, even lekker relaxen.’

De volgende dag kraaide de haan weer ’s morgens.
‘‘We moeten echt wat doen aan dat beest, ik wil niet al om half 6 wakker worden.’’
‘‘Je hebt gelijk Mike, ik zal eens vragen aan mijn vader of hij Harrie weer terug wilt nemen.’’
Ik was vrolijk, ik had niet gedroomd, het was gewoon niks! Ik had zin in seks met Mike. Maar, het was in de morgen, over een uur moesten we onze warme stulp weer verlaten, dus ik ondernam geen actie.

‘‘Lot, waar heb je de cornflakes gezet?’’
‘‘Ha ha, wat denk jij, waar die altijd staat natuurlijk.’’
‘‘Ik zie het niet, ik zie alleen een blauw pak met pap.’’
‘‘Neem dat dan maar, dat zal ongetwijfeld ook wel vullen, en anders maar even een boterham, want dan zou ik het ook niet weten.’’
‘‘Verdomme! Oké ik probeer die troep wel.’’ Antwoordde hij lichtelijk geïrriteerd.
Ik liep naar beneden, mijn schoen half aan. Deed make-up op en liep toen de keuken in. Ik keek verbaasd naar het pak pap. Pakte het van de tafel, en begon er wild mee te zwaaien.
‘‘Waar is die verdomde man met de hoed nou, gister stond ‘ie hier nog op.’’ Mompelde ik zachtjes.
‘‘Is er wat lieverd?’’
‘‘Nee niks hoor. Ga maar verder met de krant lezen, er is niks.’’ En ik keek nog net niet met een opengevallen mond naar het pak, wat ineens ontmand was.

Ik pakte mijn mooie bmw 3-serie. Net nieuw, mooie lederen bekleding en niet te vergeten, een stereo-installatie zoals niemand heeft. In de war was ik, dus de volumeknop, steeds harder. Queen stond op, en ik zong mee.

 ‘Don’t stop me now, ‘cause I’m having a good time, having a good time’

Het viel ineens stil. Het leek of de radio uit zichzelf een draai had gekregen, het nieuws stond aan.
‘‘Er is vannacht een kaping op een schip geweest. Er word iemand vermist. Naam nog onbekend. De vrouw heeft rood haar, en droeg een jurk. Mensen die meer weten bel; 0800-1234. De naam van het schip, ‘the Floating death’.’’
De man aan de andere kant van de radio leek te grinniken. ‘‘Welke malloot bedenkt er nou zo een naam voor een schip. Nu over naar het weer.’’
De radio kreeg weer een enorme zwiep, en kwam weer terug naar ‘Queen’, precies op het punt waar het was afgeslagen. Daar kwam ik op het punt aan dat ik met mijn hoofd keihard op mijn stuur wilde rammen. Ik was het zat als speelbal gebruikt te worden. Dit wilde ik helemaal niet. Het was nog niet over, en ik had het gevoel dat het pas net begonnen was.




3. De droom die echt lijkt/is?

Op mijn werk was ik totaal niet gecontroleerd bezig. Ik liep wat heen en weer, pakte een schets blokje en tekende wat ik gezien had. Een kleine dwerg met een reuzachtige hoed, een pluim erbij getekend en vooral erg grote ogen van de schrik die hij had toen hij mij had gezien. Ik tekende de lantaarn in zijn linker hand en de reling in zijn rechter hand. Een opspetterende golf, die ons in de droom nat maakten.

‘‘Lotte, waar ben je mee bezig? Is varen het thema van het feest waarmee je bezig bent?’’
‘‘Oh eh, ja Nico! Dat leek mij wel leuk. Kijk, zulke lantaarns moeten we zien te huren, en de oude klederdracht. Ik zal gauw informatie zoeken. En misschien moeten we gewoon een soort van schip laten maken voor in de zaal. Het is immers een groot feest dat er gegeven zal worden.’’
‘‘Wat een leuk idee! Ga maar gauw bellen en informatie zoeken. Je hebt niet voor niets die mooie MacBook van me gehad, ha ha. Is dat ding toch nog ergens goed voor, aangezien je toch alles met de hand doet.’’
En ik lachte met mijn baas mee. ‘‘Komt in orde Nico.’’

Nico was vaak een klootzak. Als je even ergens anders mee bezig was dan je werk, dan werd hij al pissig. Ik vind juist dat als je feesten organiseert, je de kans moet krijgen al je creativiteit te benutten. Is het niet voor nu, dan is het wel voor een andere keer dat je erop terug kan komen. Hij had na 3 jaar eindelijk door dat het prima werkt zo bij mij. Nu laat hij me gelukkig vaak met rust.

Ik bleef maar tekenen en tekenen. Tot ik na een tijdje niet meer verder kon. Ik kon niet meer, ik wist niks meer en ik moest vreselijk nodig naar de WC. Rustig aan liep ik naar de WC. Ik had het gevoel dat ik werd nagekeken, dat Jan en Ilke me zaten aan te staren. Ik knoopte mijn broek los, deed de rits omlaag, onderbroek naar beneden.
Toen ik klaar was spoelde ik door en waste ik mijn handen. Zoals gewoonlijk ging ik even met mijn vochtige handen over mijn gezicht en door mijn haren. Mijn haren waren half lang, blond en het wilde nooit zitten zoals ik dat wilde. Ik wilde altijd mooie krullen of juist heel stijl, maar vol haar. En bij mij zat het er altijd tussen in. Stijl haar, met golven erin. Dat irriteerde me vaak zo, dus liet ik het soms korter knippen dan gepland. Mike vond dat nooit zo leuk, omdat hij me mooi vond met lang haar. Ik twijfelde wel eens, of ik voor altijd bij hem zou blijven, hij was soms zo een klootzak! Hij luisterde nooit naar wat ik te zeggen had...
Ik merkte op dat ik nu al 10 minuten voor de spiegel stond en ik begon me flauwtjes te voelen. Dronk een slokje water en voelde me daar alleen maar misselijker van worden. Alles begon te draaien, het voelde alsof ik op een schip stond. En weg was ik. Ik voelde mijn lichaam onder mij vandaan zakken.

Daar stond ik dan, in de kleine hut. Het licht dat de kamer verlichtte was geel en niet fel. Nu pas zag ik dat het mooier was dan ik in eerste instantie had gedroomd. De muren waren gebroken wit en er was veel hout. Mooi donker hout. Zoals het bed, waar versieringen op waren aangebracht. Het raampje in de hut was met een soort glas in lood gemaakt. Er kwam naar mijn gevoel maar weinig licht doorheen, al was het dan ook nog erg donker op dit moment. In de kleine kast zag ik jurken liggen, een mooie witte, een zwarte en een blauw/groene. En onderaan vond ik nog een rode jurk. Ik pakte de laatst gevonden jurk, en vouwde deze uit. Het was een prachtstuk! Een jurk waar ik mijn hele leven al van had gedroomd. Een heel simpel stuk, met een paar mooie dingetjes erop.

Ik schrok van de bonk op de deur en liet de jurk uit mijn handen glijden. Haastig pakte ik deze weer op en vouwde hem op. Legde hem onder in de kast terug en liep naar de deur. Voorzichtig deed ik hem open en tot mijn verbazing zag ik dat het de man met de hoed was. Alleen had hij nu geen hoed op en de lantaarn had hij ook niet vast.
Hij leek nu nog kleiner dan hij al was. Hij had ongeveer mijn lengte, iets kleiner zelfs. Ik was 1 meter 65 en ik schatte de man op 1 meter 60.
‘Mevrouwe, heeft u soms honger?’
‘Eh, nee dankje.’
‘Kan ik u ergens anders mee van dienst zijn?’
‘Haha, ja. Door me te vertellen hoe u heet.’
De man keek mij vragend en beledigd aan. Alsof ik hem zei dat hij lelijk was en of ik hem vroeg naar iets wat totaal niet kon en heel vreemd was.
‘Ik heet Mevil, dat weet u toch mevrouw. We varen al 4 jaar op dit schip samen.’
Nu was het mijn beurt om hem vragend aan te kijken. Waar had hij het over. Ik heb nog nooit gevaren. Wie dacht deze man te zijn, wat een rare vent. En op dat moment bedacht ik me iets. Ik moest natuurlijk die ‘Eveline’ zijn!
‘Ja sorry Mevil, ik ben er niet helemaal bij met mijn hoofd.’
‘Kan gebeuren mevrouw.’ En hij sloot de deur weer achter zich.

Ik wist niet wat het doel van het feit was dat ik hier stond. Was het écht of was het maar een droom. En als het een droom was, waarom droomde ik dan precies dit? Zat er een bijbedoeling aan, of...? Ik keek verder in de kamer om iets te kunnen ontdekken, want als ik hier dan toch was, kon ik er maar beter wat van maken. Ik vond niet veel meer dan een make up doos en een dik boek met daarop geschreven ‘The floating death’. Niet dat ik daar in kon kijken, aangezien er een slot op zat maar goed. Het zag er wel erg mooi uit. Ik zocht verder, misschien kon ik het sluiteltje vinden, dacht ik. Maar niks, geen sleutel, helemaal niets. Blanco. Het irriteerde me. Ik wilde nu die sleutel vinden, en zo niet, dan wil ik de boel verkennen. Maar die ‘Mevil’ schrok zich rot de eerste keer dat hij me zag en zei nog bijna expliciet dat ik niet gezien mocht worden. Dus dat zal er wel niet in zitten. Fuck dit!

Zo moe als ik werd, leidde ik mezelf maar naar het bed wat voor mijn personage bedoeld was. Ik ontdeed me van de jurk en ging in bed liggen. Pas nu merkte ik dat ik een ketting om had, met een sleutel eraan! Maar het was te laat, ik viel in een ‘diepe slaap’.

Ik ontwaakte in de WC ruimte. Ik voelde gelijk aan mijn borst, of de ketting er nog was. Die was er niet meer, het zal ook niet. Het is ook allemaal maar een droom natuurlijk, dacht ik. Maar ik dacht het niet vol overtuiging. Ik keek op mijn horloge en ik schrok. Ik was niet langer dan één minuut weg geweest. Hoe kan iemand in zo een korte tijd zo veel dromen? Dat was níet mogelijk. Ik gooide snel wat water in mijn gezicht, kneep in mijn wangen en ging weer terug naar mijn bureau. Dit was het moment dat het me helemaal duidelijk werd. Het is een missie die ik moet volbrengen. Of, hoe noem je zoiets. Een test misschien. Raar vond ik dit allemaal wel.

Ik besloot voor mezelf om er het beste van te maken.




4. De onwerkelijkheid wordt werkelijkheid.

De volgende dag moest ik inkopen doen voor het feest waarmee ik bezig was op mijn werk. Ik moest voor de spullen naar een speciale winkel. Ik stond op een scheepswerf te zoeken naar winkels met spullen voor en over schepen, toen ik een foto zag hangen aan de muur van één van de winkels. Het was een foto van een houten schip, zo eentje als waar ik mijzelf op waande in die vreemde dromen die ik had. Toen ik de winkel in ging en de foto beter bekeek, zag ik dat er een naam op de voorkant van het schip stond, ‘The floating death’. Mijn ogen sperde zich uit en het enige dat ik op dat moment kon zeggen was: ‘Mma.. Mma.. Maar dat is het schip!’
De twee mensen die in deze winkel werkten keken mij boos aan, omdat ik waarschijnlijk aan het schreeuwen was. Ik liep naar de oudste van de twee toe en vroeg hem of hij het iets over het schip wist. Zoals hij zei was dat schip generatie na generatie in het bezit geweest van dezelfde familie die deze winkel runde.
‘Ik moet de eigenaar spreken. Ik moet hem spreken.’
‘Mevrouw, dat kan ik niet zomaar voor u regelen. Met welke reden wilt u een afspraak maken met meneer Fabritius?’
‘Nou eh, het gaat om die foto daar,’ en ik wees naar de foto van het schip. ‘ziet u, ik eh, nou ik heb een paar vragen over dat schip voor meneer Fabritius.’
‘Hij is hier morgen weer, wat dacht u van 10.30 mevrouw…’
‘Mevrouw, zeg maar Lotte.’
‘Wat dacht u van 10.30 Lotte?’
‘Dat is prima!’
Ik liep door de winkel en pakte wat ik nodig had, rekende het af en ik ging terug naar huis. Ik moest een vragenlijstje opstellen voor morgen.

Ik zat thuis, met pen en papier voor mijn neus. Er kwam niks, ik vroeg mezelf af wat ik deze meneer Fabritius eigenlijk allemaal wilde vragen. Wat voor antwoorden zou deze meneer mij nu kunnen geven, we zijn eeuwen verder. Althans, ik had het idee dat het een heel oud schip was, van toen er nog ontdekkingsreizen werden gedaan. De tijd van Columbus, Americo, Willem Barentsz. Ik vroeg mezelf af, of deze mensen ook op dit schip hadden gevaren. Ik vroeg mezelf zo ontzettend veel dingen af, maar toch kreeg ik geen woord op papier, dus besloot ik om wat anders te doen en ik zette ‘the Mokees’ aan.

‘Oh what can it mean to a daydream believer and a homecoming-queen.’

De volgende dag werd ik wakker, ik stond op, at wat en ik reed naar mijn werk. Ik vertelde mijn baas dat ik om 10.30 een afspraak had voor informatie over het themafeest. Ik moest het hem wel vertellen, omdat ik dit meestal allemaal wel zelf kon doen, en eigenlijk kon ik het nu ook zelf, maar ik moest gewoon naar die afspraak. Ik moest nog 2,5 uur uitzitten voor ik naar meneer Fabritius kon gaan, dus ging ik maar aan het werk.
Het project vorderde goed, ik was zo intensief bezig, dat ik bijna vergat dat ik naar die afspraak moest gaan. Toen ik op mijn horloge keek, schrok ik, het was 10.05 en ik had zeker nog wel 20 minuten nodig om daar te komen. Ik pakte mijn spullen en vertrok, met haast.

‘Goedemorgen, jij moet Lotte zijn!’ De niet zo grote man keek mij aan en ik keek hem aan. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht. ‘Ja, dat ben ik inderdaad! Dan moet u zeker meneer Fabritius zijn? Goedemorgen.’ Hij keek me aan, met een blik van herkenning, maar deze man kende ik niet. Dat wist ik zeker.
‘Vanwaar deze afspraak Miss?’
Ik keek de man twijfelend aan, en ik keek naar de foto van het schip. ‘Nou meneer…’
‘Lotte, noem me toch Caleb, anders voel ik me zo ontzettend oud.’
‘Haha, nou Caleb, wat ik je nu ga vertellen zal heel raar klinken.’
‘Give it a try’ antwoordde hij, en ik begon de gebeurtenissen te vertellen.
Ik vertelde de man over het schip die ik op de foto had gezien, over Eveline met haar rode haren en ik vertelde hem over het boek dat ik had zien liggen. Ik vertelde over Mevil, de man met de grote hoed.

Caleb keek me met grote ogen aan, toen ik eindelijk stopte met vertellen. En ineens liep hij weg, hij liep naar achteren. Ik zat daar, stomverbaasd. ‘Ik had deze man nooit moeten vertellen over dit alles, wat ben ik ontzettend stom geweest!’
Hij kwam terug, met een kist in zijn handen. Met een doffe bons liet hij de kist op de tafel neervallen. Hij pakte uit de kassa een sleutel en opende de kist. Ik ging staan, zodat ik in de kist kon kijken. ‘Je bedoelt deze vrouw en deze man?’ En hij pakte een schilderij.
‘Ja! Dat is Eveline,’ ik wees naar de vrouw, ‘en dat is Mevil.’ We keken elkaar aan zonder beiden ook maar een woord te zeggen.

Na een minuut of 10 stilzwijgen, stond ik op. ‘Caleb, mag ik misschien in de kist kijken of ik nog meer spullen zie die mij bekend voorkomen?’
‘Ja, eh, ga je gang.’
Ik zag aan zijn gezicht dat hij nog steeds geshockeerd was over het verhaal dat ik hem 15 minuten eerder nog had verteld. Maar ik kon het niet laten, ik móést in de kist kijken. Ik deed de klep open en ik zag het meteen. Het was het boek met ‘The floating death’ erop gegraveerd. ‘De sleutel’, ging meteen door mijn gedachten.
‘Caleb, dit boek komt mij heel bekend voor. Dit boek is het boek waarover ik vertelde. Heb jij hier de sleutel van? Ik zou het graag inzien, als jij dat goed vindt.’
Hij liep weer naar de kassa –waarom legde hij alle sleutels in zijn kassa, vroeg ik mezelf af– en kwam terug met een sleutel. Het was niet de originele sleutel, het was een sleutel uit onze tijd, het glom nog te veel. Ik nam de sleutel aan en probeerde het uit op het slot wat op het boek zat. ‘Het past!’
‘Ja Lotte, het past. Er is nooit een sleutel gevonden, dus heb ik deze laten maken door een sleutelmaker.’

Ik sloeg het boek open en tot mijn verbazing zag ik dat het een soort verhaal was. Ik las de eerste pagina. Het ging over Mevil.




5. The floating death.


Hoofdstuk 1


Mevil zag iets glinsteren op een klein eilandje wat helemaal niet op de kaart stond. Hij stuurde een paar mannen naar het voordek en ook een soort van magiër Théoron ging zijn gedachten op het glinsterende ding houden. Uiteindelijk wisten ze wat het was, een zwaard. Maar wat moest dat daar nou, dat sloeg helemaal nergens op vond de kapitein Eveline, de eerste vrouwelijke kapitein. We varen gewoon door waren de ordes van de kapitein, maar Mevil hield vol en uiteindelijk mocht hij met wat mannen naar het eilandje om het zwaard te halen. Wat een absurditeiten. Toen Mevil uiteindelijk op het eiland was, want hij werd met een sloepje erheen geroeid door wat matrozen, ging het zwaard nog meer glinsteren als dat het al deed. Hij kon haast niets zien maar ging er toch op af. Eenmaal bij het zwaard trok Mevil het uit het zand en nam hem mee naar de boot. Hij vond het raar dat het zwaard nu niet meer zo glinsterde, hij was een beetje dof geworden. En toch bleef het een schitterend ding. Ook de kapitein vind dat. Maar ze moesten weer verder varen anders zouden ze nooit op tijd komen, want de winterslaap van de Magiër Marcus Mystery was alweer bijna voorbij. Ze vaarden en vaarden, de Bitterzee leek geen einde te hebben. Wat de piraten niet wisten was dat het zwaard iets magie-achtigs over zich heen had, want ja wie gaat en nou lang naar een zwaard kijken. Het zwaard zorgde dat Marcus wakker werd, want ooit vroeger had hij het in bezit en had er een spreuk over gezegd zodat hij altijd zou weten wat er om het zwaard heen gebeurde en wat de mensen dachten. Hij merkte dat de piraten op zoek waren naar hem, maar bang was hij niet, want ja het waren toch een stel amateurs. Maar wat Marcus niet weet is dat Mevil iets over zich heeft wat de vloek heeft opgeheven toen hij naar het zwaard was gegaan. Want hij bekeek het ding aandachtig en zag dat er een naam op het zwaard stond en las die hardop. Dat was het teken dat z'n meester er was. Terwijl dat helemaal niet zo was, maar nu zag het zwaard Mevil als zijn meester. Toen de stuurman de naam had opgenoemd, Emerald, begon het zwaard ineens te gloeien en glinsteren. Het werd geactiveerd leek wel. Ineens hoorde hij een stem, en dacht dat een matroos iets hoorde en naar beneden was gekomen. Maar hij zag en hoorde verder niemand lopen, en dus zoeken wat er aan de hand was. Uiteindelijk zag hij een soort gezicht in het zwaard, wat hem aankeek met grote ogen. Emerald het zwaard was niet gewend dat andere mensen met hem konden praten en Mevil schrok zich ook het rambam want welk zwaard kan nou praten!! Ze waren zo'n vijf minuten naar elkaar aan het staren totdat het zwaard sprak. ‘’Wie ben jij en waar is mijn meester? Je hebt me gestolen hè!’’ Nee ik heb je niet gestolen, ik vond je in het zand op een eilandje midden in de bitterzee. Vanaf nu ben ik jouw meester. ‘’OJA? Dacht je dat?’’ Ja anders gooi ik je zo overboord antwoordde Mevil. Oké oké rustig maar, we gaan elkaar maar eerst even leren kennen hè, vind je ook niet? Ja je hebt gelijk. De naam die op het zwaard stond, is dat jouw echte naam of is dat jouw meester z'n naam soms? ‘‘Nee dat is mij naam, ik heet Emerald, beetje rare naam maar me meester heeft hem gegeven. Sorry, mijn oude meester, dus die kan ik niet zomaar veranderen. Dan ben ik namelijk ook gelijk alle krachten kwijt.’’ O, dat zou zonde zijn, maar wat kan je dan allemaal Emerald, want een zwaard zijn lijkt me nou niet echt een pretje want je kunt niks doen. ‘’Nee inderdaad, wat is jouw naam eigenlijk?’’ Mevil, mijn naam is Mevil. ‘’Stoere naam hé, heette ik maar zo! Maar goed weer terug naar het onderwerp, mijn vriend. Het is geen pretje een zwaard te zijn, want je valt alle harde klappen op en soms heb je daar erg lang last van. Zoals jullie hoofdpijn hebben kan ik ook pijn hebben, het lijkt er erg op hoofdpijn alleen dan net iets anders. Verder, alle mensen die met dit zwaard worden bevochten sterven, als mijn meester met hen aan het zwaardvechten is. Dan laat ik een soort schok door de persoon heen gaan die uiteindelijk bij zijn hart komt en zorgt dat z’n hart stopt met kloppen. Jullie noemen dat een wáhode heb ik gehoord.  Ik noem het gewoonweg dat ik iemand heb vermoord.’’ Mevil die al een lange tijd stil had zitten luisteren en knikken, ging nu eindelijk weer praten. Maar heb je dan geen schuldgevoel, want als ik iemand vermoord blijf ik altijd er nog lang mee zitten. Ja natuurlijk wel mijn vriend, natuurlijk houd ik daar last van. Maar ik kan niet anders, ik kan niet zelf beslissen of ik iemand vermoord of niet. Jullie mensen kunnen dat wel. Soms geef ik mensen geen schok, maar dan doorboord mijn meester die persoon wel.
Zo ging de nacht erg snel voorbij, want het werd alweer een beetje lichter. Bij het eerste daglicht zouden hij en de tweede stuurman met elkaar wisselen van plek. Mevil nam afscheid van Emerald. Ze zouden elkaar gauw weer zien. Mevil liep door de kleine deur en keek of niemand hem zag. Want hij vond dat dit zijn geheim was, net als het geheim dat hij stiekem heel erg verliefd was op Eveline. Mevil snelde naar het roer en zei tegen de andere stuurman; ga maar slapen Cobus, dat heb je wel verdiend. Ik neem het nu weer van je over, over 12uur zie ik je hier weer. Cobus liep weg en Mevil zat nog erg na te denken over wat er nou allemaal gebeurt en gezegd was door Emerald.



Hoofdstuk 2

Wat zie jij er moe uit, beetje te veel kroezen bier op zeker. Nee kapitein, ik kon niet goed slapen. Ik zat aan zó veel dingen te denken. Het wilde gewoon niet lukken, toen ben ik maar even gaan lopen op het schip en ben toen ergens in slaap gevallen. Mevil ga als de bliksem je bed in, straks ben ik me schip nog kwijt aan jouw onverantwoordelijkheid. Ik neem het vanaf hier van je over, als je weer wat uitgerust ben neem je het schip maar weer over, want 2 dagen bijna zonder rust kan niet. Mevil gehoorzaamde en ging naar zijn kajuit die naast die van de kapitein was. Hij viel in een diepe slaap en begon te dromen over een draak, die hij zou gaan verslaan met het zwaard Emerald. En dat Eveline zo trots op hem zou zijn, dat ze zijn vrouw wou worden. Ze zouden trouwen op het schip en hij zag haar dan voor het eerst in een jurk. Ja een mooie droom vond ie het want hij lach met een grote lach in z’n bed.
Na 8uur te hebben geslapen werd Mevil wakker. Hij had zo’n honger dat hij niet meer kon slapen. Hij ging naar kokkie toe en vroeg om wat te eten. Hij kreeg een heel vol bord meet twee lappen vlees en nog meer groenten en aardappelen. Hij kreeg twee porties, waarom dat nu weer? Ach nou ja dat is het laatste waar hij zich nu druk om ging maken. Hij schoof het eten naar binnen en ging weer terug naar z’n kamer. Toen hij weer op bed lach voelde hij iets raars in zijn buik, een soort tinteling. Hij draaide zich om en om en om, maar het ging maar niet weg. Toen ineens dacht hij aan Emerald. Zou er wat met het zwaard zijn, en dat hij me zo waarschuwt. Nou ik ga maar gauw heen voor er wat ernstigs is. Hij liep heel voorzichtig langs de kamers waar sommige piraat -matrozen lagen te slapen. Soms werd hij aangesproken maar kapte hij het gesprek gewoon een beetje af want straks verklapte hij iets. Uiteindelijk nog twee keer omkerend voor hij door het kleine deurtje ging, deed hij de deur open. Hij zag dat er een rode gloed om het zwaard heen zat en rende naar Emerald. Wat is er met je! Je bent helemaal rood en ik voelde allemaal tintelingen in mijn buik. Emerald die moeite had met praten antwoordde; Ik word aangevallen door Marcus, Ik mag geen andere meester van hem. Hij laat dit niet gebeuren, maar jij hebt meer kracht in je onschuldigheid en hij kan het niet van je winnen. Hij blijft maar proberen, vandaar dat jij ook meevoelde met deze strijd. Mevil die er helemaal niks meer van snapte want waarom staat hij in contact met het zwaard. Emerald die zag dat Mevil er niks meer van snapte en probeerde het uit te leggen, Mevil ik ben niet helemaal open geweest over dingen die ik kan. Mijn meester heeft dan ook krachten. Jij kan dingen voelen die ik voel, en je hebt claufisie. Wat is claufisie vroeg Mevil aan het zwaard. Dat houdt in dat je mensen bloot stelt aan hun grootste angsten. Je maakt het zoveel erger, dat ze zo bang worden dat ze sterven. Mevil dacht even na en liet het tot zich doordringen. Hij kan mensen met een simpele gedachte vermoorden. ‘En wat nou als ik dat niet wil?’ Het spijt me vriend, jij bent de uitverkorene jij werd ook naar het zwaard geleid en nu zul je deze krachten moeten accepteren, of je wilt of niet. Dat kwam erg hard aan bij Mevil, want hij wil niet zo makkelijk mensen kunnen doden. Maar Veel tijd om na te denken kreeg hij niet, want hij werd na een kleine tijd weer geconfronteerd met weer die tinteling. Hij keek Emerald aan en ze wisten beiden dat het moest stoppen. Het zwaard zei tegen de jongen dat hij kon regelen, dat hij met de magiër kon praten zodat het over zou zijn. Of het zou ergere gevolgen hebben. Nou ja dat wilde hij dan wel want dit was ook niet bepaald fijn. Emerald noemde een bepaalde spreuk die niet verstaanbaar was en toen in plaats van het gezicht van Emerald zag Mevil het gezicht van de magiër in het zwaard. Het was even schrikken maar uiteindelijk begon hij te spreken. ‘’Waarom doet u zo vervelend tegen mij en Emerald, want we hebben niks verkeerd gedaan. U bent degene die wat fout heeft gedaan, anders zou dit zwaard nog in uw bezit zijn.’’ Mijn jongen, niet zo brutaal doen hè, daar ben ik niet van gediend. Ik ben Emerald kwijtgeraakt bij een gevecht met piraten. Zo nu en dan werd hij gevonden maar niemand kon zijn meester zijn vanwege zijn krachten. Jij bent sterk en kunt die krachten wel aan, wat ik erg vreemd vind. Mevil die er steeds minder van snapte zei kortweg dat de magiër moest ophouden want het zwaard kreeg hij toch niet terug. Oké mijn jongen, als het zo moet, wij zullen elkaar wel weer een keer spreken, maar dan niet op deze manier. Nadat hij dat gezegd had verdween z’n gezicht van het zwaard en was Emerald weer gewoon normaal.
Mevil had geen last meer van een tinteling en Emerald had geen last meer van de vervelende magiër.


Hoofdstuk 3

Ineens hoorde Mevil voetstappen in de nabijheid. Het zou nog even duren of iemand ontdekte wat er met ‘het zwaard’ aan de hand is. Hij moest snel handelen, want Emerald gaf zó veel licht dat dus echt wel zou opvallen. Hij besloot het zwaard met zijn oude zwaard om te ruilen. Hij haalde het oude uit de schede en deed Emerald er in de plaats voor in. Gauw verstopte hij het oude zwaard achter wat kisten en zelf moest hij er ook bij gaan zitten want hij hoorde de deur opengaan. Er kwam iemand binnen met een klein lantaarntje. Het was Eveline. Wat moest zei nou hier! Ze zocht achter spullen naar iets, wat ze blijkbaar gevonden had. Er zat een kleine lach op der gezicht toen ze iets tevoorschijn haalde wat piepte. Ze gaf een muis een stukje beschuit.
Wat een schat is het ook, dacht Mevil. Na een klein tijdje zette ze het muisje weer op de grond en ging ze weg. Mevil was opgelucht dat ze hem niet had gezien. Hij liep zachtjes en voorzichtig naar de deur om polshoogte te nemen. Toen het er rustig uitzag en hij niks hoorde ging hij door de gangen. Toen kwam hij bij een trap waar hij heel voorzichtig op liep zodat niemand hem zou zien. Hij was in de buurt van zijn kamer en snel glipte hij naar binnen. De deur deed hij op slot, gewoon voor het geval dat. Emerald haalde hij uit de schede. Mevil legde het zwaard op het bed. Tot zijn verbazing was er geen fel licht meer en óók geen gezicht. Zacht zei Mevil; Emerald ben je daar nog? Hij kreeg geen antwoord. Emerald! Hij riep nu haast, want hij schrok een beetje. Er klonk een klein piepstemmetje. Mevil, ik ben erg uitgeput door dit voorval. Morgen ben ik weer helemaal de oude, het zou fijn zijn als je me rustig liet slapen. Ok Emerald. Tot morgen zal ik je met rust laten.
Bedankt, klonk het zachtjes.
Mevil liep naar het dek toe. Daar zag hij de kapitein staan, en liep naar haar toe. ‘Ik ben weer helemaal uitgerust Eveline, mag ik nu gewoon weer aan het roer?’ Ja natuurlijk gek, hup ga er heen dan, klonk het een beetje flauw. Beide moesten ze een beetje lachen om het feit dat hij helemaal toestemming had gevraagd aan der. Mevil, zou je tegen Cobus willen zeggen dat hij de avond vrij heeft? ‘Is goed kapitein, komt voor elkaar’.
Théoron stond bezorgd naar het uitzicht te kijken. Hij zag dat er wolken aankwamen en had het gevoel dat er hele erge storm zou komen. Eveline, die hem zo zag kijken ging naar hem toe en vroeg wat er was. Hij legde uit dat er storm zou komen, en niet zomaar een klein stormpje. Het is veroorzaakt door een magiër, zei Théoron. Ik heb zo’n gevoel dat het Marcus is. Ik denk dat hij doorheeft wat we willen gaan doen. Maar wat het erge aan zo’n storm is dat ze tien keer zo erg zijn. Dus ik weet niet hoe dit zal aanpakken voor ons. Het gezicht van Eveline betrok en ze liep zonder wat te zeggen naar haar hut.


Hoofdstuk 4

De storm begon op te laaien, iedereen was gestresst aan het helpen. Eén zeil moest gereefd worden en ook een tweetal zeilen moesten worden gestreken.  Het was echt een enorme klus om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen.
Het water klotste over de reling en daar ging piet, een matroos. Hij hield zich vast en redde het net op het nippertje.
Zoveel mogelijk matrozen gingen in hun slaapvertrekken zitten, want het was gewoon geen doen daar op het dek. Ze waren zo bang, dit hadden ze nog nooit meegemaakt. De storm werd alsmaar erger en erger. Het was op een gegeven moment zo erg dat Cobus en Mevil samen het roer vast moesten houden. Want Cobus hield het niet meer alleen. De kapitein was naar de slaapvertrekken gegaan om de matrozen rustig te houden. ‘Als het schip het niet meer houd, neem dan zoveel mogelijk eten en spring met iedereen op de reddingssloepen.’ Maak je dan om mij geen zorgen, zei ze. Ze zag zoveel angst in de ogen van de mannen en toen ze dat gezegd had was het alleen maar erger geworden. ‘’Zijn jullie nou piraten? Stelletje landrotten, had thuis gebleven! Verman je zover het lukt, we hebben goede mensen aan boord.’’ Toen eveline dat gezegd had, leken de mannen wat rustiger te zijn geworden. Ze ging dus weer terug naar de stuurmannen om te kijken hoe het hun afging.
Ze kwam net aangerend toen het gebeurde…Het roer werd door een windvlaag met een ruk omgegooid, waardoor Cobus zijn evenwicht verloor. Hij viel over de reling recht in de golven, die over het schip zouden slaan. Mevil wou erachteraan springen maar de kapitein hield hem tegen. Ze zagen beide hoe Cobus naar beneden werd gezogen en vervolgens werd de golf over de boot ‘’uitgespuugd’’. Daar lag Combus, dood op het dek. De matrozen renden erheen om te kijken wat er gebeurt was, maar er viel niets meer te doen. ‘’Het spijt me Mevil, dat je je vriend zo hebt moeten verliezen maar we moeten nu echt hier blijven met deze windstoten. Je weet nooit wat er zal gebeuren.’’ Schreeuwde Eveline boven de wind uit.
Net op het moment dat ze beide dachten dat het over zou zijn, met de wind en golven, hoorden ze een vreselijk gekraak van beneden. Er zat een lek in de boot! Er was nu nog meer chaos op de boot, en Eveline kreeg de bemanning maar niet stil. Ze greep toen een matroos beet. ‘Jij gaat helpen bij het roer, of je nou bang bent of niet. Anders ga je sowieso ten onder!’ Eveline rende naar beneden om te kijken wat er allemaal stuk was. Ze schrok zich dood…De hele onderkant was een gat van 30 duim breed en 50 duim lang in. Het water stroomde heel hard naar binnen. Ze stuurde wat mannen ernaartoe, om te zorgen dat het een kleiner gat zou kunnen worden. Maar het had weinig nut. Ze rende weer naar boven, naar het voordek nu. Ze keek goed zover dat lukte en zag pas in de verte een eiland. Dat is hun redding als ze het kunnen redden, dacht ze. Ze riep iedereen bijeen en liet alle mannen  helpen met het hijsen van de zeilen. Dan zouden ze misschien genoeg vaart hebben om er net op tijd te kunnen komen. Iedereen wist z’n plaats en deed goed z’n best omdat ook hun wisten dat dit hun laatste kans was.
Het hielp… Met een enorme vaart voeren ze op het eiland af, wat steeds dichterbij kwam. Maar de storm werd ook erger. En of ze het zouden halen was voor hun allemaal de vraag.

Het zag er naar uit dat ze het zouden halen, riep Mevil naar de kapitein. De mannen die dat natuurlijk ook hoorden werden allemaal stuk voor stuk opgelucht. Maar nu een probleem dacht de kapitein, hoe kunnen we met deze vaart het anker laten zakken. Maar toen ze net een oplossing had weten te bedenken was het al te laat. Ze voelde de boot over de bodem van de zee varen. Ze zouden de kant rammen! Dat maakte eigenlijk vrij weinig uit, want de onderkant lag toch al helemaal in de puin.
Iedereen viel voorover, de boot was aan land…Ook al hadden sommige een beetje pijn, ze waren blij dat ze het gered hadden naar dit eiland. Ze lieten gauw de touwladders zakken zodat ze van de boot konden. Het was dringen en duwen, totdat de magiër een waarschuwing gaf; Als je wilt blijven leven, ga dan niet alleen op pad op dit eiland. Er is hier iets wat niet goed is. De kapitein en Mevil keken elkaar even aan en gingen toen met de touwladder naar beneden.



Hoofdstuk 5

Toen iedereen op het vaste land was, schrok Mevil zich rot toen hij aan z’n schede voelde. Hij was Emerald vergeten!! ‘’Ehm, kapitein, ik ben wat vergeten…Is het goed als ik even me zwaard haal?’’ zei Mevil een beetje aarzelend. Ja, haal ‘m maar, je weet nooit wat voor mafketels je op zo’n eiland als dit zult tegen komen, hahaha..
Mevil snelde zich naar boven en rende naar z’n kajuit. Daar lag Emerald, helemaal tot rust gekomen. ‘’ Slaap je, Emerald?’’ Nee ik was wakker geworden van die enorme bonk van de boot. Wat was dat allemaal voor ongein? ‘’Nou eh, de boot is helemaal stuk  en we zouden het nooit verder hebben gered als dit eiland. We zijn op dit eiland gevaren met een enorme vaart. Vandaar die grote bonk.’’  Jullie ook, kan je dan helemaal niet varen.. Maar goed, je kwam me zeker halen. Nou kom op dan, dan gaan we dit eiland een beetje bekijken misschien zijn er nog wat leuke vrouwen voor je hier, of heb je die al gevonden? zei Emerald een beetje gemeen. Daar ging Mevil niet op in en deed ‘m in de schede. Hij liep weer over het dek naar de touwladder waarop hij weer naar beneden klom en zo kwam hij bij Eveline aan.
‘’Zo we zijn compleet, we gaan maar eens op onderzoek uit. Heb je nu alles wat je nodig denkt te hebben? En alle anderen ook iets van een dolk of een zwaard?’’ Ja kapitein, we gaan! Klonk ’t van meerdere mensen. Ze liepen door een soort woud heen, maar hoeveel verder ze ook liepen, ze kwamen niks of niemand tegen. ‘’Wat een stink eiland is dit! Hebben ze niet even een leuke herberg ofzo ik heb trek in bier.’’ Zei een van de bemanning. Ach joh hou je mond toch, hier heb je wat vocht. Er werd een waterzak naar hem gegooid. Ze liepen verder, tot ze in de verte een rookwolkje zagen.’’ Ssst, nu stil zijn allemaal straks zijn het menseters of geesten. Hou je wapen gereed om aan te vallen voor het geval dat er iets gebeurt.’’ Zei Mevil

Ze liepen voorzichtig verder totdat ze dichtbij genoeg waren om te zien wat voor ‘’dingen’’ er gebeurde. Ze zagen dat het doodgewone mensen waren, nou ja doodgewoon…..

Een van de bemanning gaf een gil en viel met een harde klap op de grond. ‘Wie zijn jullie vreemdelingen?’ Iedereen deed een stap achteruit en voorzichtig begon Eveline te praten. Wij zijn de bemanning van het schip aan de andere kant van dit eiland. We wilden onze vracht veilig over de Bitterzee vervoeren, maar we kwamen in een storm terecht waardoor het schip kapot was gegaan. In onze haast om het te overleven zijn we naar dit eiland gegaan, snap je meneertje? ‘Heu! Riep een dikke man met grote baard en grijs haar. Niet zo brutaal wijfie, daar houden wij niet van hè mannen…’ hehehe, nee popje zei een van de enge ventjes om haar heen.
Oké rustig maar, we zijn alleen maar handelaren wat kunnen wij jullie nou maken? Ze hoopte dat de eilandbewoners er in zouden trappen. ‘Oke kom maar mee, maar laat je wapens hier, want dat vertrouw ik voor geen cent.’
Met aarzeling deden ze wat er gevraagd werd, want dan hadden ze nog een kans. Er liepen een paar mannen naar de geslagen piraat en tilden hem naar het kamp.

De mensen in het kamp keken raar op toen ze de piraten zagen.
Wie zijn deze mensen, vroeg lenny. ‘Dit zijn handelaren en ze hadden panne met de boot. Ze konden nog net hierheen varen, meneer.’ Oké breng die dame en die man met dat mooie petje eens dichterbij. Zo, en wie zijn jullie dan wel?
Beste meneer, ik ben Eveline de kapitein van het schip en dit is mijn stuurman Mevil. Wij hebben geen kwade bedoelingen, verre van dat. Wij willen alleen onze boot maken en dan zo snel mogelijk onze handel naar Piromouth brengen.
‘En hoe kunnen we jullie geloven, vroeg lenny.’
Hahaha, dat lijkt me makkelijk. Ik heb een schip vol met thee en wil dat graag veilig wegbrengen. U kan best het schip doorzoeken hoor, dan zal u het zelf zien. Maar ons uitmoorden lijkt me een beetje onnodig. We willen alleen ons schip maken en daar zullen we een paar weken voor nodig hebben. Mevil die er maar bij stond begon ook te praten, als wij piraten zouden zijn zou u het wel merken aan onze kleding.
‘Daar heb je wel een punt, jongeman. Ok, we geloven jullie. Jullie kunnen zo lang bij ons blijven en we zullen helpen het schip te maken. Samantha, deze mooie dame hier zal zorgen dat er wat bedden gereed worden gemaakt voor jullie.’
Samantha liep naar een groepje mannen en liet hun een tent opzetten, ook liet ze een paar dames stro halen voor de bedden.

Toen dat allemaal klaar was ging de bemanning van the floating death, na een maaltijd uitrusten in hun tenten. Mevil en Eveline moesten samen in een tent. Dat vonden ze beide niet zo erg, alleen bij Mevil om een andere reden.


Hoofdstuk 6

Toen ze ontbeten hadden gingen ze met hout en spijkers naar de boot. Ze hadden mensen mee uit het kamp, want ze bleken best aardig te zijn die bewoners.
Het begon steeds meer te lijken en met de dag werd de boot weer bruikbaarder. Ze waren nu al 3 weken op het eiland en zouden dus misschien binnenkort weer weg kunnen. Sommige mannen waren verliefd geworden op de vrouwen van hier en andersom ook.
Zo ook Samantha die was verliefd geworden op Mevil. Alleen was het niet wederzijds, Mevil kon Eveline maar niet uit z’n hoofd krijgen. Zo ging hij die avond met Samantha een stukje lopen, om haar te vertellen wat hij nou werkelijk voor haar voelde. Ze praatten en praatten, en toen vertelde hij het ‘Samantha ik vind je erg mooi en lief, maar mijn hart is al door Eveline bezet. Het spijt me maar ik ben al jaren verliefd op Eveline en ik houd van haar.’ Ze kon het begrijpen ook al vond ze het helemaal niet leuk, maar wat moest ze dan…
De volgende dag zouden ze vertrekken, dus ze gingen de laatste dingen aan ’t schip in orde maken. Hier en daar nog een kleine gebrekkigheid herstellen, en het schip was nu weer helemaal bruikbaar. Het werd al donkerder, en het was al tegen het avondeten, toen de bemanning en de eilandbewoners terug liepen naar het dorp. Maar wat de bemanning niet wist was dat er een afscheidsmaal en een feest waren geregeld door de vrouwen. Ze stonden te kijken, en de tranen sprongen hen in de ogen. Dat lieten ze natuurlijk niet merken, want het waren immers piraten, dus knipperden ze gauw de tranen weg. Ze gingen met z’n allen aan het eten en de avond was gezelliger dan alle andere avonden dat ze op ’t eiland waren. Er werd gefeest alsof dit hun laatste dag te leven was, en het bier en wijn vloog in het rond.
Het was ochtend, het afscheid was genomen. Sommigen wilden mee, anderen bleven op Schieland. Het afscheid was voor de meeste erg zwaar gevallen, dus de sfeer op ’t schip was erg doods. Later in de avond was de sfeer weer redelijk terug. Ze gingen praten en wat drinken met z’n allen, dat was weer erg gezellig. Maar Mevil deed niet meer, hij ging naar beneden. Hij moest Emerald weer verstoppen.
‘Emerald? Ben je daar?’ Nou.., ik was met Marcus aan het praten. Hij heeft jullie al vanaf het begin door. Hij weet alles wat hij weten wil, en weet ook dat jullie nu vlakbij Snatsie eiland zijn. ‘Maar..maar hoe kan dat dan? Hoe kan hij dat nou weten? Théoron kan dat zelfs niet precies weten. Hoe!? Hoe kan dit?’ Mevil luister, hij is de beste en sterkste magiër van de wereld. Dat is een feit. En dus kan hij alles doen, wensen en maken wat hij wil. ‘De smiegt! Dan heeft dus niemand een privé leven…’ Ja dat is zo, maar wat wou je eraan gaan doen? Er valt niks aan te doen mijn vriend. ‘ Er moet een mogelijkheid zijn hem te stoppen, het moet!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten