De jongen van stroom.
Ik zat op zolder. De hele dag lang was er geen zon geweest, niemand had ooit zoiets beleefd. Nee, juist het tegenovergestelde weer was het. Het stormde. Mijn familie was bang de schuilkelder ingevlucht, want zo’n erge storm als dit hadden zij nog nooit meegemaakt. Ik wilde niet mee de schuilkelder in, nee ik wilde kijken naar het neerkomende water, de oplichtende straten bij iedere bliksemschicht en een vlaag van angst door mij heen voelen razen bij iedere schok tegen de aarde. Kortom, ik was Fred
Toen ik 8 jaar was, speelde ik wel eens buiten. Op een dag, dat ik buiten speelde, was er een storm op komst. Iedereen was naar huis gegaan, maar ik niet, ik bleef vrolijk en niet-beseffend in mijn zandbakje genieten. Ik was niet weg te krijgen. Het begon opeens uit het niets te regenen. De donder kwam ook opzetten.
Ik zat op zolder. De hele dag lang was er geen zon geweest, niemand had ooit zoiets beleefd. Nee, juist het tegenovergestelde weer was het. Het stormde. Mijn familie was bang de schuilkelder ingevlucht, want zo’n erge storm als dit hadden zij nog nooit meegemaakt. Ik wilde niet mee de schuilkelder in, nee ik wilde kijken naar het neerkomende water, de oplichtende straten bij iedere bliksemschicht en een vlaag van angst door mij heen voelen razen bij iedere schok tegen de aarde. Kortom, ik was Fred
Toen ik 8 jaar was, speelde ik wel eens buiten. Op een dag, dat ik buiten speelde, was er een storm op komst. Iedereen was naar huis gegaan, maar ik niet, ik bleef vrolijk en niet-beseffend in mijn zandbakje genieten. Ik was niet weg te krijgen. Het begon opeens uit het niets te regenen. De donder kwam ook opzetten.
Opeens! Een flits! Recht op me
af. Ik werd geëlektrocuteerd. Maar ik overleefde het. Niemand had het gedacht.
Sindsdien denk ik altijd dat ik een beetje stroom geef, een beetje elektrisch
ben. Vanaf dat moment was ik onvoorwaardelijk verbonden met de storm en de
bliksem.
Ik dacht na, en keek naar mijn weekplanner op de muur. Een afspraak met Lois? Was dit een date? Ik wist helemaal niks meer.. Hoe kan dit!?
De onweer werd alsmaar erger en erger, het leek of er iets gedaan was met het weer. Misschien een of andere mafkees die een weer regelaar had gemaakt? Want ja in 2386 kun je toch van alles ontdekken, dacht Fred.
Ons dorpje lag in een dal, we hadden een kleine heuvel naast ons dorp liggen, vandaar dat ik het dorp in een dal vind liggen. Vroeger speelde ik daar vaak, want er was een speeltuin met een leuke zandbak. Dat was ook de plek waar ik geraakt was. Fred keek omhoog naar de heuvel. Hij zag iets bewegen! Het glinsterde in het donker. Leek het nou zo, of was iemand die storm aan het bewegen? Hoe dan ook, nadat de mysterieuze schim verschenen was, vervaagde de storm tot zo minimaal, dat de blaadjes aan de bomen veilig waren en de vogels weer zelf hun vleugels moesten wieken.
Maar weer terug naar de date. Lois was een mooi meisje uit zijn klas, het leek hem sterk dat het een date was. Hij kende haar immers al een hele tijd! Misschien was het een hulples? Fred griste nog steeds in het duister. Hij besloot naar de beruchte zandbak op de heuvel te gaan. Toen hij daar aankwam zag hij dat de heuvel een uitzicht gaf over het hele dorpje. Dat had hij zich niet zo herinnerde van vroeger. Misschien was hij toen nog te klein om over de rand van de heuvel te kijken.
Ik dacht na, en keek naar mijn weekplanner op de muur. Een afspraak met Lois? Was dit een date? Ik wist helemaal niks meer.. Hoe kan dit!?
De onweer werd alsmaar erger en erger, het leek of er iets gedaan was met het weer. Misschien een of andere mafkees die een weer regelaar had gemaakt? Want ja in 2386 kun je toch van alles ontdekken, dacht Fred.
Ons dorpje lag in een dal, we hadden een kleine heuvel naast ons dorp liggen, vandaar dat ik het dorp in een dal vind liggen. Vroeger speelde ik daar vaak, want er was een speeltuin met een leuke zandbak. Dat was ook de plek waar ik geraakt was. Fred keek omhoog naar de heuvel. Hij zag iets bewegen! Het glinsterde in het donker. Leek het nou zo, of was iemand die storm aan het bewegen? Hoe dan ook, nadat de mysterieuze schim verschenen was, vervaagde de storm tot zo minimaal, dat de blaadjes aan de bomen veilig waren en de vogels weer zelf hun vleugels moesten wieken.
Maar weer terug naar de date. Lois was een mooi meisje uit zijn klas, het leek hem sterk dat het een date was. Hij kende haar immers al een hele tijd! Misschien was het een hulples? Fred griste nog steeds in het duister. Hij besloot naar de beruchte zandbak op de heuvel te gaan. Toen hij daar aankwam zag hij dat de heuvel een uitzicht gaf over het hele dorpje. Dat had hij zich niet zo herinnerde van vroeger. Misschien was hij toen nog te klein om over de rand van de heuvel te kijken.
Hoe dan ook, om de een of
andere reden concentreerde Fred zich op de wolken. Ze kwamen ze op hem af! Het
leek wel of hij ze kon besturen! Maar al na 5 seconde was Fred zo uitgeput van
het concentreren dat hij neerviel. De wolken gingen weer met de wind mee.
Opeens klonk een zware stem: ‘Sluit je aan.. Sluit je aan.. Word net als mij,
sluit je aan…’ Fred had geen idee waar het vandaan kwam, het leek wel of de
wind de stem meevoerde! Toen hij weer uitgerust was ging hij naar zijn huis.
Hij zag Lois de deurbel indrukken net toen hij achterom wilde gaan. Snel rende
hij naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Wat! Ben
je onze afspraak vergeten! Te laat oké, maar vergeten! Ik heb je er gister nog
over gebeld! Ik vroeg of je naar mij wilde komen om een filmpje te kijken! Tss!
Je hebt dus blijkbaar geen interesse in me.. Dan ga ik maar weer.’ ‘Wat? Had ik
dat gezegd? Sorry Lois maar ik weet echt niks meer van de afgelopen weken. Het
zal raar klinken, maar na die storm van vandaag herinner ik me weinig.’ ‘Oh wat
een slappe smoes! Ik dacht dat je me wel leuk vond. Dat dacht ik dus helemaal
verkeerd! Trouwens, hoe kom je op een storm? Het is bijna zomer! Het heeft al
een paar weken niet geregend! Ha! Je bent echt niet goed bij je hoofd.’
Beledigd liep Lois weg. Ze had Fred met open mond verbaasd achtergelaten. Was
ik dan de enige die de storm had gezien? Had meegemaakt? Is dit alles wat net
gebeurde eigelijk NIET gebeurd? Maar ik had mijn familie toch de schuilkelder
in zien gaan? Ik hoorde ze toch gewoon tegen mij praten? Snel liep hij het huis
in. Moeder zat gewoon op de bank tv te kijken. Vader was rustig bezig in de
keuken. Broertje Marcel en zusje Gila zaten op hun kamers. WAT IS HIER AAN DE
HAND?
Ik liep naar de keuken om water op te zetten, maar het gas wilde niet werken. Ik bleef maar proberen en proberen, maar het wilde niet baten. Zo boos als dat ik werd, en kwaad als dat ik keek, zo ineens deed het fornuis het weer. Hm raar. Ik zette de theekan erop en liet het water koken.
Ik liep naar de keuken om water op te zetten, maar het gas wilde niet werken. Ik bleef maar proberen en proberen, maar het wilde niet baten. Zo boos als dat ik werd, en kwaad als dat ik keek, zo ineens deed het fornuis het weer. Hm raar. Ik zette de theekan erop en liet het water koken.
Daar zat ik lekker aan mijn thee,
te genieten van het lekkere weer. Maar ondertussen werd er een paar keer op de
deur gebonsd, wat ik pas na een paar keer doorhad. Verbaasd liep ik naar de
voordeur om ‘m open te doen.
‘Hé wat is dit nou, waarom
staat er niemand voor de deur?’ Gauw liep ik naar buiten om te kijken hoe en
wat, maar ik gleed uit. Er lag iets glibberigs op de grond. Ik keek een klein
beetje versuft om me heen, toen ik iemand weg zag rennen. Ik stond zo snel
mogelijk op en begon ook te rennen, maar de gedaante was zo vlug dat ik het
niet kon bijhouden. Ik ging terug, want ik had de deur helemaal niet
dichtgedaan. Maar tot mijn verbazing was de deur dicht. Ik probeerde de
deurklink omlaag te halen, maar dat lukte niet. ‘Waarom lukt dit niet, is er
wat met dit stomme huis of zo? Eerst het fornuis nu de deur.’ Ik liep achterom
in de hoop dat ik die deur niet op slot had gedaan. Het maakte niets uit, ook
die deur zat dicht. Ik bonkte zo hard ik kon op de deur, tikte op de ramen en
schreeuwde in hoop dat iemand binnen het hoorde. Er werd niet open gedaan. Ik
dacht na en werd verdrietig. Opeens keek ik omhoog. ‘Als ik nou eens via de
regenpijp naar boven klim en op dat randje ga staan,’ zei ik tegen mezelf. Ik
had dat bedacht omdat het zo ook altijd in van die actiefilms van eeuwen
geleden ging. Proberen kan ik altijd dacht ik en daar klom ik. Halverwege de
regenpijp keek ik naar beneden, nog geen hoogtevrees. Ik stond op het randje,
in rek stand en probeerde op mijn kozijn te komen. Één…twee…en slingerde mijn
been op het kozijn, pakte een randje van mijn raam vast en daar stond ik met 2
benen op het smalle kozijntje. Nu de ramen open en dan ben ik binnen, dacht ik.
’Hallo? Wie is daar?’
’Hallo? Wie is daar?’
‘Mam, mam ik ben het Fred!’ Ik
rende naar beneden.
‘Hallo!? Dit is niet grappig
laat je zien! Ik heb een mes in mijn handen hoor!’
‘Mam?’
Moeder zag me nog niet… Hoe kan
dit? Waarom ziet ze me niet staan? Ik pakte een papiertje en schreef er wat op;
Mam ik ben het, Fred.. Waarom kun je me niet zien?
Ze schrok, ze zag het briefje liggen.
Ze schrok, ze zag het briefje liggen.
‘Wie, hoe, wat? FRED!!! Waar
ben je? Waarom haal je dit grapje met me uit? Het is niet grappig!’
Ze liep dwars door me heen. Nó,
hè, wat! Ben ik.. Dood? Nee ik stond nog op het kozijn toch? Ik ben niet
gevallen.. Ik pakte het papiertje en ik schreef de vraag; ben ik dood, dat je
me niet kunt zien? Ze kwam terug en ze las het. Ze pakte een pen en schreef
nee, je ligt in het ziekenhuis al 4 weken.
‘Ben jij dat echt Fred?’ Ik
schreef ja, en toen was alles voorbij.
Ik was gevallen toen ik op het kozijn stond, geen hersenschudding geen gebroken been of nek. Alleen wat blauwe plekken, poeh wat had ik dan een mazzel. Maar wel een vreemde droom! Ik liep om het huis heen, maar net als net waren nog steeds de deuren dicht. Ik was het zat, ik pakte een tuinstoel en gooide het door het raam. Er was veel lawaai, en veel glasscherven om mij heen. Voorzichtig liep ik naar binnen, ik riep.
Ik was gevallen toen ik op het kozijn stond, geen hersenschudding geen gebroken been of nek. Alleen wat blauwe plekken, poeh wat had ik dan een mazzel. Maar wel een vreemde droom! Ik liep om het huis heen, maar net als net waren nog steeds de deuren dicht. Ik was het zat, ik pakte een tuinstoel en gooide het door het raam. Er was veel lawaai, en veel glasscherven om mij heen. Voorzichtig liep ik naar binnen, ik riep.
‘Gila? Mam, pap? Marcel dan? Is
er helemaal niemand thuis?’
Ik rende omhoog, toen weer naar
beneden. ‘In de schuilkelder! Ze zitten daar!’ Ik rende omlaag, deed de
kelderdeur open en tot mijn schrik was daar ook niemand. Huh? Net. Net waren ze
nog thuis. Ik belde naar mijn ouders mobiel. ‘Dit is het antwoordapparaat van
0656389053 spreek een boodschap in na de
piep’ zei de elektronische stem.
‘Met
Fred, als jullie dit horen bel dan gelijk naar huis, er is iets vreemds aan de
hand!’ ik hing op.
Mijn telefoon ging, ik schrok. Turend naar het
beeldschermpje kwam ik erachter dat het een onbekend nummer was.
‘Met Fred Hooiga.’
‘Sluit je aan..Sluit je aan.. Word net als mij,’ klonk het
aan de andere kant van de lijn. ‘Nee, ik wil me niet aansluiten!’
‘Hier zul je spijt van krijgen Fredje… Heb je het nou echt
niet door wat er allemaal gaande is? Ghehe, dan niet. Je komt er nog wel op
terug, als het te laat is.’ Er werd opgehangen.
Ik was een beetje bang geworden van de zware dwingende
stem. Wat zou die engerd bedoelt hebben? Dat interesseerde me nu vrij weinig,
ik moet de rest vinden. En vinden zal ik ze! Dacht ik.
Ook nu zocht ik weer. Ik rende de trap op, ‘mam, pap?’
Geen antwoord. Ik rende naar de schuilkelder, ook weer was daar niemand.
Haastend en vol verwarring rende ik naar de schuur, pakte mijn fiets en ging
snel naar tante Loes. Rood en hijgend kwam ik daar aan, ook daar niemand. Ik
belde nog 2 keer aan voor ik weg ging. Liep van het pad af, weer terug naar
mijn fiets. Tot mijn verbazing waren er helemaal geen auto’s op de straat aan
het rijden, er liepen geen mensen zoals gewoonlijk. En in het parkje verderop
waren geen kinderen…
In mijn ooghoek zag ik iets bewegen, ‘paf’, een klap tegen
mijn hoofd. ‘Paf’ nog een. Ik voelde mezelf licht worden in mijn hoofd en
verloor mijn evenwicht, ik viel.
Na een korte tijd deed ik mijn ogen weer open, ik zag een
gedaante vlak voor mijn neus. Wie was het die mij zo hard geslagen had? Ik keek
omhoog, kon het gezicht niet duidelijk zien, er hingen haren voor zijn gezicht.
Tenminste ik nam aan dat het een man moest zijn aan de klap te voelen. Ik wou
uithalen maar de man deed een stap achteruit. ‘Doe nou geen domme dingen Fred…’
Ik wilde de man weer slaan, maar weer was hij me te snel
af. Hij trapte me in mijn maag. ‘AU!’ Een pijnschuit drong via mijn maag door
naar mijn hoofd, alles voelde beurs, en alles bonkte.
‘Ik had je nog zo gewaarschuwd! Jij bent echt hardleers..
Wie niet horen wilt moet maar voelen zegt het oude gezegde hè.’
Ik kreunde van de pijn, ‘flikker waarom doe je dit!?’
‘ Jij hebt iets wat ik graag wil, tenzij je mij helpt
blijf je voor altijd in deze tussendimensie… Aan jou de keuze, en je hebt mijn
nummer al, dus als je weet wat het word, bel me dan maar’
‘Maar… Maar…’ en weg was de man.
Wie was het? Wie flikt dit nou aan iemand die hij helemaal
niet kent. Trouwens wat heb ik wat hij wilt!? Hij dacht diep na.
‘Ik weet het, het is mijn gave!’, zei hij vol woede in
zichzelf. Maar hoe, hoe weet die mafkees dat nou, dat ik een gave heb! Hij
dacht na, wie heb ik het verteld. ‘Hm, voor zo ver ik weet, weet niemand dat ik
dit allemaal kan… Ik heb het alleen in m’n dagboek geschreven.’
Natuurlijk dat is het! Het is mijn dagboek die gestolen
is, ik dacht nog wel dat hij gewoon ergens in mijn kamer rondslingerde. Maar
nu, ik weet zeker dat ‘hij’ mijn dagboek heeft, het moet wel, er is geen andere
optie.
Snel zocht hij een fiets en snelde naar huis. Snel, alle
stoplichten rood. Maar geen auto’s te bekennen… Hij reed nog sneller. Ik moet
het weten, wie is dit, wie is die vreselijke man? In de verte verscheen zijn
huis al. Het leek alsof er iets mis was, er zat zo’n rare gloed om het huis.
Een die hij al eerder gezien had, zou dit wat met die gozer te maken hebben?
Maar waarvan was die gloed nou ook al weer… Was dat niet toen hij was opgestaan
na zijn val van het venster?
Hij zag iemand bewegen, en hij was nu wel heel dichtbij
het huis. Snel graaide hij in zijn zakken, ‘waar is dat verdomde zakmes nou
gebleven!? ‘ ik raakte een beetje overstuur maar bleef doorrijden. Dit moest
over zijn, voor eens en voor altijd. Ik wou naar huis.
De gedaante in de verte rende op Fred af, en Fred begon ‘m
een beetje te knijpen. Het was een man met lang haar. ‘Hm, dat kon ik me niet
herinneren dat de man lang haar had.’ En naarmate de gedaante dichterbij kwam,
herkende hij een meid in. ‘Dat was niet de persoon die me hier heeft
opgesloten, dat kan niet! Het is een meisje.’ Het was…Lois…
Fred keek verschrikt naar Lois die nu voor hem stond.
‘Heb jij dit gedaan, of niet?’
‘Nee Fred, ik was hier ook ineens. Waar zijn we eigenlijk?
Wat is dit voor plaats. Jouw ouders waren niet thuis, maar mijn ouders ook
niet.’
‘Dat had ik door inderdaad. Maar, hoe ben jij hier
gekomen. Heb je geen gedaante gezien?’
‘Het was een engerd! Een litteken op zijn wang, een heel
grote. Net of het verkeerd was gehecht. En zijn haar zat vies en het leek
vlassig.’
‘Is het een bekende, of had je ‘m nog nooit gezien?’
‘Nog nooit gezien. Maar waarom juist wij? Wat heb je
trouwens een rode mondhoeken.’
‘Ooh ja dat is niks. Lois, ik hoop dat je nu ziet dat ik
niet expres onze afspraak ben vergeten’
‘Dat snap ik. Ik wist niet dat het zó gecompliceerd lag.’
‘Ik ook niet, eerst. We moeten hier vandaan zien te
komen.’ Ik dacht na, maar kreeg geen ideeën.
‘It’s him, but it isn’t him…’
‘It’s him, but it isn’t him…’
Deze zin spookte door mijn hoofd toen ik Piet zag. Wat doet
hij raar! Als een gek sloeg ik aan het denken, wat moest ik tegen hem zeggen?
Ik zeg ‘hoi’ en vraag hem hoe het gaat. ‘Goed’ en hij liep door. Wat is dit
nou, dacht ik. Ik besloot hem achterna te gaan om te kunnen ontdekken waarom
hij zo deed. Hij sloeg links, toen rechts, hij liep door het park en toen…
Begon hij te rennen. Ik rende niet.
‘Waarom volgde je me gister? ‘ vroeg Piet kwaad. ‘Ik, ik
dacht… Laat maar zitten, ik weet niet waarom.’ Ik durfde het hem niet te
zeggen, ik heb hem echt nog nooit zo gezien. ‘Oh, nou bemoei je met je eigen
zaken lul! Wat ik doe heb jij geen boodschap aan’. Ik kijk hem verbaasd aan,
waarop hij kwaad naar mij terug kijkt. Ik sla mijn ogen van hem af, zoekend
waarheen ik kijken moet. ‘Sorry.’
Hij kijkt op zijn beurt verbaasd naar mij. ‘Ach man, zo bedoel ik het
ook niet, ik vind het gewoon niet fijn als iemand zich met me bemoeid.’ Ik zeg
hem dit niet meer te zullen doen. Hij knikt en weg is hij.
‘Hé man, heb je het voor me?’ vraagt Piet aan een gozer.
‘Wat denk jij nou? Tuurlijk!’ De gozer overhandigt het zakje aan Piet en hij
geeft hem zijn geld. ‘Thanks man.’ en Piet loopt weg.
Heel toevallig liep Tanja net door die steeg toen ze Piet
zag. Ze verstopte zich achter een container en volgde de korte ontmoeting. Gauw
belde ze mij om te vertellen wat ze gezien had. ‘En hij nam wat aan en gaf er
geld voor terug! Straks is het drugs’ schreeuwde Tanja paniekerig door de
telefoon. Mijn hart ging als een bezetene tekeer, zou hij zo stom zijn? Mijn
beste vriend die ik al vanaf jongs af aan ken, die ó zó tegen drugs was, aan de
drug? ‘Sorry Tanja, ik denk dat het wat anders was.’ zei ik haar vriendelijk.
Ik zeg haar gedag en hang op.
Vandaar dat hij zo vreemd deed!
De volgende dag ging ik met hem zeilen, wat we al vanaf onze
14e samen deden op de vrijdagavond. We hadden onze standaard spullen
mee, hapjes e.d. Onder het zeilen vroeg ik het me toch erg af, en hij zag het
ook aan mijn gezicht. ‘Wat zou jij doen als iemand die jij goed kent
waarschijnlijk aan de drugs zit, maar dat je het dus niet zeker weet?’ vroeg ik
hem.
‘ Wat ik zou doen, ik zou het hem rechtsreeks vragen. Het is
niet leuk om het te vragen, of om die vraag naar je toe te krijgen, maar het is
wel beter… Dan weet je tenminste hoe het echt zit.’
Ik dacht na. Dit is het goede moment, en ik vroeg het hem. ‘
Piet, ben jij dan aan de drugs?’
‘Ja ik ben aan de drugs, en nu? Wat wil je met deze
informatie doen?’
‘Niks, er valt voor mij weinig te doen. De keuze is voor
jezelf of je ermee door wilt gaan of dat je stopt.’
We zeilden verder maar we hadden er beide weinig zin meer
in.
Thuis dacht ik na. Dat ging wel erg makkelijk… Zal z’n vrouw
ervan af weten?
Ik belde en kreeg Piet aan de telefoon kut!. ‘Hé
Piet, ik ben mijn zeilhandschoentjes kwijt, heb jij ze toevallig gezien of
meegenomen?’
‘Nee, ik kijk van de week wel even, fijne avond nog’
Tuut tuut tuut…! Hij had gewoon opgehangen. Ik was
verbijsterd, want dit had hij nog nooit gedaan.
Ik lag in bed… ‘Verdomme, ik raak mijn vriend kwijt!’ Alles
kwam op me af. De muren, het bed leek te beven. Het licht, ging aan en uit, aan
en uit. Wat is dit!? ‘Kappe met die gare zooi! Kappe!’ Ik schreeuwde zo hard ik
kon.
Ik werd wakker badend in het zweet, vol paniek. De enige
conclusie die ik kon trekken, er gaat wat ergs gebeuren, iets vreselijks.
7.00uur
Tringg…tring… Ik nam op.
‘Hé Mark, ik heb je handschoenen niet gevonden, sorry man.
Dat word nieuwe kopen.’
‘Agh, nou ja misschien vind ik ze nog wel. Maar eh… zo vroeg
naar de boot gegaan dan?’
‘Ja, kon niet slapen. Maar ik moet gaan, doei!’
‘Doe….’ Tuut..tuut.tuut..
‘Hij voert wat in z’n schild, ik weet ’t zeker!’
8.00uur
‘Hoi met Lia’
‘Ha die Lia, Mark hier. Ik heb een vraag want piet doet
nogal vreemd de laatste tijd, weet jij hoe dat zit? Merk jij dat ook?’
‘Ja inderdaad, maar ik weet niet wat het is.’
‘Hij is aan de drugs, maar op een of andere manier geloof ik
dat niet. Ik dacht dat jij me wel verder kon helpen, maar ook niet dus.’
‘Ik zal hem goed in de gaten houden, zou jij dat ook willen
doen?’
‘Ja natuurlijk, ik laat het je weten wanneer ik meer weet.’
‘Dankje! Doei!’
‘Doeg.’
Ik liep over de markt. Het was rustig. Vreemd, het is altijd
druk op Woensdag. Mensen staarden me aan, en was ik voorbij dan keken ze me nog
na. Is er wat met me, vroeg ik mijzelf af. Ik liep met flinke stappen door en
haalde wat kattenvoer. Gauw weer terug naar huis.
Ik zetten de computer aan, zetten ondertussen ook de
koffiezetter aan omdat het opstarten altijd een eeuw leek te duren. De koffie
was klaar, en ik liep met een mok koffie terug naar de computer. Voerde mijn
wachtwoord ik en nam een slok van de nog hete koffie. ‘Au’ en zetten gauw de
koffie op mijn bureau. Ik keek weer naar het beeldscherm, toen het gebeurde.
Internet opende zichzelf, Google, moord. Alles vulde zichzelf in, in de
tekstbalkjes. Piet Vermeulen vermoord. Het werd aangeklikt, het beeld raasde
langs. Piet Vermeulen vermoord. Hij is gevonden bij een steegje van de
Parallelweg. Drie messteken in zijn borst, en vermoedelijk is hij op Zaterdag
16.50 gestorven.
Het ging allemaal kriskras door mijn hoofd. Alles ging langs
me heen, het draaide. ‘Bam’
Ik werd wakker.
The Floating Death
1. Het was dag één
van mijn avontuurlijke tocht.
‘‘Hallo,
is daar iemand?’’
De
wind suisde langs de ramen, de deur leek uit zijn scharnieren te vliegen.
‘‘Halloooo!?’’
Niemand
antwoordde. Wat deed ik eigenlijk in deze ruimte? Wat deed dat roer voor mijn neus?
Pas nu merkte ik dat ik al die tijd het roer al vast had. Ik zocht verward om
mij heen, maar durfde het roer niet los te laten. Straks zou er wat ergs
gebeuren. En tóch liep ik naar de ietwat kleine deur. Probeerde deze te openen,
maar het lukte niet. Op dat moment zag ik iemand lopen. De persoon droeg een
lantaarn, dat was ook de enige reden waarom ik hem had opgemerkt. Zijn hoed zag
er echt vreselijk groot uit. Ik vroeg mijzelf af of dit tegenwoordig in de mode
was, om er weer ‘19e eeuws achtig’ uit te zien. Het lantaarntje leek
dichterbij te komen, en er ging een rilling over mijn rug. Wie zal die man
zijn? Dacht ik.
En
ineens, stond hij daar. Recht voor mijn ogen, alleen een stuk glas er voor. Hij
keek me met grote ogen aan alsof ik een spook was. Snel opende hij de deur met
de woorden ‘‘Mevrouw, wat doet u hier?’’
‘‘Mevrouw,
ik een mevrouw? Hè verdorie, wist ik dat zelf maar!’’
‘‘U
moet onmiddellijk mee komen naar uw kajuit, niemand mag u zien.’’
Ik
gehoorzaamde, ondanks dat ik de vreemde man niet kende. Hij gaf me toch een
soort van vertrouwelijk gevoel.
Het
water spatte over de reling, het was lastig om mijn evenwicht te houden. En wat
ik nu ontdekte was dat ik lang haar had. Het zwiepte steeds in mijn gezicht. En
nog vreemder, ik droeg een jurk! Zo ben ik helemaal niet gaan slapen, dacht ik.
We liepen door een smalle, slecht verlichte gang.
‘‘Eveline,
uw kamer is hier.’’
Ik
werd haastig de kamer ingeduwd, maar draaide me gelijk om.
‘‘Ik
heet geen…’’ De deur werd alweer dichtgegooid.
‘‘Waarom…
Hoe… Waar…?’’
Gauw
liep ik naar de spiegel die ik zag hangen. Ik keek erin, maar ik viel gelijk op
de grond van het beeld dat ik zag. Het was een mooie vrouw met lang rood haar.
Het rode haar zorgde er voor dat haar jukbeenderen leken als die van een engel.
Een jurk tot bovenaan dichtgeknoopt. Snel stond ik weer op en keek met grote
ogen naar de spiegel.
‘‘Dit
ben ik niet.’’ Was het enige wat ik kon uitbrengen.
Ik
kneep in mijn gezicht, stak mijn tong uit. Allemaal dezelfde bewegingen als die
ik maakte, verschenen in de spiegel. Mijn spiegelbeeld deed exact hetzelfde,
ondanks dat ik het niet was. Snel veegde ik de ordinaire rode lippenstift van
‘mijn’ lippen.
‘‘Wie
ben ik!?!!’’
2. Opstaan en door
gaan.
De
zon kwam op. Ik hoorde een haan kraaien.
‘‘Lieverd?
Ik heb net toch zo raar gedroomd.’’
‘‘Schàààt…’’
kwam het er moeizaam uit, ‘‘Ik lag nog te slapen.’’
‘‘Ja
maar, het leek alsof ik écht op dat schip was.’’
‘‘Waar
heb je het allemaal over? Ga nou weer slapen zeg.’’ En Mike kwam een klein
beetje omhoog.
‘‘Nou,
mijn droom, weet je wel. Ik was op een schip.’’
‘‘Ja,
en?’’
‘‘Laat
me dan vertellen! Ik had lang rood haar en droeg een jurk tot bovenaan
vastgeknoopt. Ik had hele lelijke rode lippenstift op.’’
‘‘Maar
lieverd, betekent dit dat je nu voortaan ook eens een jurk aandoet? Want zelfs
toen we trouwden vertikte je het een jurk te dragen.’’ Mike begon te lachen. ‘‘Dat
zal dan wel het raarste deel van je droom zijn geweest.’’
‘‘Ik
weet het niet, het zal allemaal wel.’ Boos draaide ik me uit bed. ‘‘Sukkel.’’ Mompelde
ik half binnensmonds.
Ik
liep naar de deur en ging naar de wc. Ik moest opeens ontzettend nodig plassen,
het was zo’n drang dat je krijgt als je een straal water ziet lopen en je nog
niet zo nodig moest.
Toen
ik het bad zag, kreeg ik enorme zin om lekker mijn dag in bad door te brengen.
Relaxen en geen gezeik. Maar helaas de werkelijkheid was wel anders, dus ik
liep naar de slaapkamer, pakte mijn kleding en ging even gauw douchen. Het
water stroomde over mijn koud geworden lichaam, het was heerlijk. Ik zeepte
mezelf in en spoelde mijn haren uit. Op dat moment voelde ik mij begluurd.
Ik
spoelde me gauw verder af, en kleedde me aan. Ondertussen keek ik of er niet
iemand stond te kijken. Dit was alleen nog maar het begin van wat ging komen.
Cornflakes,
melk, brood, eieren, ham, spinazie.
Ik
liep door de supermarkt en nog altijd was dat vreselijk grote ding een doolhof
voor me. Kijkend op de pakken, baande ik me een weg door de winkel. En zo ging
dat door totdat ik een heel vreemd pak zag staan. Het was een soort van pap,
maar op de doos stond een man met een vreselijk grote hoed. Die hoed had ik
eerder gezien. Het was precies zo een hoed als die man gedragen had. De man in
de droom die mij ‘Eveline’ noemde.
Ik
haalde het pak uit het schap en bekeek het. Er stond vrijwel niks belangrijks
op. Maar toch nam ik het mee naar huis.
‘‘Bliep,
bliep, bliep, bliep… Error!’’
‘‘Mevrouw,
de kassa geeft aan dat wij dit product niet in ons filiaal verkopen. Ik denk
dat u dit er per ongeluk bij gelegd heeft, of niet soms?’’
‘‘Nee
hoor, het stond daar ergens’’ en ik wees naar een gangpad.
‘‘Ik
vraag het wel even aan mijn collega. Karin voor kassa één, Karin voor kassa
één. Verkopen wij een soort van pap genaamd ‘zeemanspap’? Nee? Oké bedankt
Karin! Sorry mevrouw wij verkopen dit echt niet, neem het maar weer mee naar
huis.’’
De
caissière dacht zeker dat ik gek was. Dat ik mijn boodschappen van huis meenam
om het vervolgens weer opnieuw te kopen. Ik ging er verder maar niet meer op
in, want ik had immers een heel schap gezien met deze rare pap.
‘‘Fijne
dag nog mevrouw,’’ zei de caissière vriendelijk.
‘‘Dank
je, insgelijks!’’ En ik liep met mijn boodschappen naar de auto. Vreemd, héél
vreemd.
Ik
kwam thuis en gooide mijn boodschappen op het aanrecht. Ik liep naar de stereo,
en pakte de cd van Krezip. Draaide de volumeknop bijna op zijn maximum en ging
even uit mijn dak. ‘Wat nou ik ben gek? Bij iedereen gebeurt wel eens wat. Ik
moet niet zo zeuren met dat gevoel van dat die droom iets betekent. Dat stomme
pak pap is gewoon toeval. Hè, even lekker relaxen.’
De
volgende dag kraaide de haan weer ’s morgens.
‘‘We
moeten echt wat doen aan dat beest, ik wil niet al om half 6 wakker worden.’’
‘‘Je
hebt gelijk Mike, ik zal eens vragen aan mijn vader of hij Harrie weer terug
wilt nemen.’’
Ik
was vrolijk, ik had niet gedroomd, het was gewoon niks! Ik had zin in seks met
Mike. Maar, het was in de morgen, over een uur moesten we onze warme stulp weer
verlaten, dus ik ondernam geen actie.
‘‘Lot,
waar heb je de cornflakes gezet?’’
‘‘Ha
ha, wat denk jij, waar die altijd staat natuurlijk.’’
‘‘Ik
zie het niet, ik zie alleen een blauw pak met pap.’’
‘‘Neem
dat dan maar, dat zal ongetwijfeld ook wel vullen, en anders maar even een
boterham, want dan zou ik het ook niet weten.’’
‘‘Verdomme!
Oké ik probeer die troep wel.’’ Antwoordde hij lichtelijk geïrriteerd.
Ik
liep naar beneden, mijn schoen half aan. Deed make-up op en liep toen de keuken
in. Ik keek verbaasd naar het pak pap. Pakte het van de tafel, en begon er wild
mee te zwaaien.
‘‘Waar
is die verdomde man met de hoed nou, gister stond ‘ie hier nog op.’’ Mompelde
ik zachtjes.
‘‘Is
er wat lieverd?’’
‘‘Nee
niks hoor. Ga maar verder met de krant lezen, er is niks.’’ En ik keek nog net
niet met een opengevallen mond naar het pak, wat ineens ontmand was.
Ik pakte mijn mooie bmw
3-serie. Net nieuw, mooie lederen bekleding en niet te vergeten, een
stereo-installatie zoals niemand heeft. In de war was ik, dus de volumeknop,
steeds harder. Queen stond op, en ik zong mee.
‘Don’t stop me now, ‘cause
I’m having a good time, having a good time’
Het
viel ineens stil. Het leek of de radio uit zichzelf een draai had gekregen, het
nieuws stond aan.
‘‘Er is vannacht een kaping op een schip
geweest. Er word iemand vermist. Naam nog onbekend. De vrouw heeft rood haar,
en droeg een jurk. Mensen die meer weten bel; 0800-1234. De naam van het schip,
‘the Floating death’.’’
De
man aan de andere kant van de radio leek te grinniken. ‘‘Welke malloot bedenkt er nou zo een naam voor een schip. Nu over naar
het weer.’’
De
radio kreeg weer een enorme zwiep, en kwam weer terug naar ‘Queen’, precies op
het punt waar het was afgeslagen. Daar kwam ik op het punt aan dat ik met mijn
hoofd keihard op mijn stuur wilde rammen. Ik was het zat als speelbal gebruikt
te worden. Dit wilde ik helemaal niet. Het was nog niet over, en ik had het
gevoel dat het pas net begonnen was.
3. De droom die
echt lijkt/is?
Op
mijn werk was ik totaal niet gecontroleerd bezig. Ik liep wat heen en weer,
pakte een schets blokje en tekende wat ik gezien had. Een kleine dwerg met een
reuzachtige hoed, een pluim erbij getekend en vooral erg grote ogen van de
schrik die hij had toen hij mij had gezien. Ik tekende de lantaarn in zijn
linker hand en de reling in zijn rechter hand. Een opspetterende golf, die ons
in de droom nat maakten.
‘‘Lotte,
waar ben je mee bezig? Is varen het thema van het feest waarmee je bezig bent?’’
‘‘Oh
eh, ja Nico! Dat leek mij wel leuk. Kijk, zulke lantaarns moeten we zien te
huren, en de oude klederdracht. Ik zal gauw informatie zoeken. En misschien
moeten we gewoon een soort van schip laten maken voor in de zaal. Het is immers
een groot feest dat er gegeven zal worden.’’
‘‘Wat
een leuk idee! Ga maar gauw bellen en informatie zoeken. Je hebt niet voor
niets die mooie MacBook van me gehad, ha ha. Is dat ding toch nog ergens goed
voor, aangezien je toch alles met de hand doet.’’
En
ik lachte met mijn baas mee. ‘‘Komt in orde Nico.’’
Nico
was vaak een klootzak. Als je even ergens anders mee bezig was dan je werk, dan
werd hij al pissig. Ik vind juist dat als je feesten organiseert, je de kans
moet krijgen al je creativiteit te benutten. Is het niet voor nu, dan is het
wel voor een andere keer dat je erop terug kan komen. Hij had na 3 jaar
eindelijk door dat het prima werkt zo bij mij. Nu laat hij me gelukkig vaak met
rust.
Ik
bleef maar tekenen en tekenen. Tot ik na een tijdje niet meer verder kon. Ik
kon niet meer, ik wist niks meer en ik moest vreselijk nodig naar de WC. Rustig
aan liep ik naar de WC. Ik had het gevoel dat ik werd nagekeken, dat Jan en
Ilke me zaten aan te staren. Ik knoopte mijn broek los, deed de rits omlaag,
onderbroek naar beneden.
Toen
ik klaar was spoelde ik door en waste ik mijn handen. Zoals gewoonlijk ging ik
even met mijn vochtige handen over mijn gezicht en door mijn haren. Mijn haren
waren half lang, blond en het wilde nooit zitten zoals ik dat wilde. Ik wilde
altijd mooie krullen of juist heel stijl, maar vol haar. En bij mij zat het er
altijd tussen in. Stijl haar, met golven erin. Dat irriteerde me vaak zo, dus
liet ik het soms korter knippen dan gepland. Mike vond dat nooit zo leuk, omdat
hij me mooi vond met lang haar. Ik twijfelde wel eens, of ik voor altijd bij
hem zou blijven, hij was soms zo een klootzak! Hij luisterde nooit naar wat ik te
zeggen had...
Ik
merkte op dat ik nu al 10 minuten voor de spiegel stond en ik begon me
flauwtjes te voelen. Dronk een slokje water en voelde me daar alleen maar
misselijker van worden. Alles begon te draaien, het voelde alsof ik op een
schip stond. En weg was ik. Ik voelde mijn lichaam onder mij vandaan zakken.
Daar
stond ik dan, in de kleine hut. Het licht dat de kamer verlichtte was geel en
niet fel. Nu pas zag ik dat het mooier was dan ik in eerste instantie had
gedroomd. De muren waren gebroken wit en er was veel hout. Mooi donker hout.
Zoals het bed, waar versieringen op waren aangebracht. Het raampje in de hut
was met een soort glas in lood gemaakt. Er kwam naar mijn gevoel maar weinig
licht doorheen, al was het dan ook nog erg donker op dit moment. In de kleine
kast zag ik jurken liggen, een mooie witte, een zwarte en een blauw/groene. En
onderaan vond ik nog een rode jurk. Ik pakte de laatst gevonden jurk, en vouwde
deze uit. Het was een prachtstuk! Een jurk waar ik mijn hele leven al van had
gedroomd. Een heel simpel stuk, met een paar mooie dingetjes erop.
Ik
schrok van de bonk op de deur en liet de jurk uit mijn handen glijden. Haastig
pakte ik deze weer op en vouwde hem op. Legde hem onder in de kast terug en
liep naar de deur. Voorzichtig deed ik hem open en tot mijn verbazing zag ik
dat het de man met de hoed was. Alleen had hij nu geen hoed op en de lantaarn
had hij ook niet vast.
Hij
leek nu nog kleiner dan hij al was. Hij had ongeveer mijn lengte, iets kleiner
zelfs. Ik was 1 meter 65 en ik schatte de man op 1 meter 60.
‘Mevrouwe,
heeft u soms honger?’
‘Eh,
nee dankje.’
‘Kan
ik u ergens anders mee van dienst zijn?’
‘Haha,
ja. Door me te vertellen hoe u heet.’
De
man keek mij vragend en beledigd aan. Alsof ik hem zei dat hij lelijk was en of
ik hem vroeg naar iets wat totaal niet kon en heel vreemd was.
‘Ik
heet Mevil, dat weet u toch mevrouw. We varen al 4 jaar op dit schip samen.’
Nu
was het mijn beurt om hem vragend aan te kijken. Waar had hij het over. Ik heb
nog nooit gevaren. Wie dacht deze man te zijn, wat een rare vent. En op dat
moment bedacht ik me iets. Ik moest natuurlijk die ‘Eveline’ zijn!
‘Ja
sorry Mevil, ik ben er niet helemaal bij met mijn hoofd.’
‘Kan
gebeuren mevrouw.’ En hij sloot de deur weer achter zich.
Ik
wist niet wat het doel van het feit was dat ik hier stond. Was het écht of was
het maar een droom. En als het een droom was, waarom droomde ik dan precies
dit? Zat er een bijbedoeling aan, of...? Ik keek verder in de kamer om iets te
kunnen ontdekken, want als ik hier dan toch was, kon ik er maar beter wat van
maken. Ik vond niet veel meer dan een make up doos en een dik boek met daarop
geschreven ‘The floating death’. Niet dat ik daar in kon kijken, aangezien er
een slot op zat maar goed. Het zag er wel erg mooi uit. Ik zocht verder,
misschien kon ik het sluiteltje vinden, dacht ik. Maar niks, geen sleutel,
helemaal niets. Blanco. Het irriteerde me. Ik wilde nu die sleutel vinden, en
zo niet, dan wil ik de boel verkennen. Maar die ‘Mevil’ schrok zich rot de
eerste keer dat hij me zag en zei nog bijna expliciet dat ik niet gezien mocht
worden. Dus dat zal er wel niet in zitten. Fuck dit!
Zo
moe als ik werd, leidde ik mezelf maar naar het bed wat voor mijn personage
bedoeld was. Ik ontdeed me van de jurk en ging in bed liggen. Pas nu merkte ik
dat ik een ketting om had, met een sleutel eraan! Maar het was te laat, ik viel
in een ‘diepe slaap’.
Ik
ontwaakte in de WC ruimte. Ik voelde gelijk aan mijn borst, of de ketting er
nog was. Die was er niet meer, het zal ook niet. Het is ook allemaal maar een
droom natuurlijk, dacht ik. Maar ik dacht het niet vol overtuiging. Ik keek op
mijn horloge en ik schrok. Ik was niet langer dan één minuut weg geweest. Hoe
kan iemand in zo een korte tijd zo veel dromen? Dat was níet mogelijk. Ik gooide
snel wat water in mijn gezicht, kneep in mijn wangen en ging weer terug naar
mijn bureau. Dit was het moment dat het me helemaal duidelijk werd. Het is een
missie die ik moet volbrengen. Of, hoe noem je zoiets. Een test misschien. Raar
vond ik dit allemaal wel.
Ik
besloot voor mezelf om er het beste van te maken.
4. De
onwerkelijkheid wordt werkelijkheid.
De
volgende dag moest ik inkopen doen voor het feest waarmee ik bezig was op mijn
werk. Ik moest voor de spullen naar een speciale winkel. Ik stond op een
scheepswerf te zoeken naar winkels met spullen voor en over schepen, toen ik
een foto zag hangen aan de muur van één van de winkels. Het was een foto van
een houten schip, zo eentje als waar ik mijzelf op waande in die vreemde dromen
die ik had. Toen ik de winkel in ging en de foto beter bekeek, zag ik dat er
een naam op de voorkant van het schip stond, ‘The floating death’. Mijn ogen
sperde zich uit en het enige dat ik op dat moment kon zeggen was: ‘Mma.. Mma..
Maar dat is het schip!’
De
twee mensen die in deze winkel werkten keken mij boos aan, omdat ik
waarschijnlijk aan het schreeuwen was. Ik liep naar de oudste van de twee toe
en vroeg hem of hij het iets over het schip wist. Zoals hij zei was dat schip
generatie na generatie in het bezit geweest van dezelfde familie die deze
winkel runde.
‘Ik
moet de eigenaar spreken. Ik moet hem spreken.’
‘Mevrouw,
dat kan ik niet zomaar voor u regelen. Met welke reden wilt u een afspraak
maken met meneer Fabritius?’
‘Nou
eh, het gaat om die foto daar,’ en ik wees naar de foto van het schip. ‘ziet u,
ik eh, nou ik heb een paar vragen over dat schip voor meneer Fabritius.’
‘Hij
is hier morgen weer, wat dacht u van 10.30 mevrouw…’
‘Mevrouw,
zeg maar Lotte.’
‘Wat
dacht u van 10.30 Lotte?’
‘Dat
is prima!’
Ik
liep door de winkel en pakte wat ik nodig had, rekende het af en ik ging terug
naar huis. Ik moest een vragenlijstje opstellen voor morgen.
Ik
zat thuis, met pen en papier voor mijn neus. Er kwam niks, ik vroeg mezelf af
wat ik deze meneer Fabritius eigenlijk allemaal wilde vragen. Wat voor
antwoorden zou deze meneer mij nu kunnen geven, we zijn eeuwen verder. Althans,
ik had het idee dat het een heel oud schip was, van toen er nog
ontdekkingsreizen werden gedaan. De tijd van Columbus, Americo, Willem
Barentsz. Ik vroeg mezelf af, of deze mensen ook op dit schip hadden gevaren.
Ik vroeg mezelf zo ontzettend veel dingen af, maar toch kreeg ik geen woord op
papier, dus besloot ik om wat anders te doen en ik zette ‘the Mokees’ aan.
‘Oh what can it mean to a daydream believer and a
homecoming-queen.’
De
volgende dag werd ik wakker, ik stond op, at wat en ik reed naar mijn werk. Ik
vertelde mijn baas dat ik om 10.30 een afspraak had voor informatie over het
themafeest. Ik moest het hem wel vertellen, omdat ik dit meestal allemaal wel
zelf kon doen, en eigenlijk kon ik het nu ook zelf, maar ik moest gewoon naar
die afspraak. Ik moest nog 2,5 uur uitzitten voor ik naar meneer Fabritius kon gaan,
dus ging ik maar aan het werk.
Het
project vorderde goed, ik was zo intensief bezig, dat ik bijna vergat dat ik
naar die afspraak moest gaan. Toen ik op mijn horloge keek, schrok ik, het was
10.05 en ik had zeker nog wel 20 minuten nodig om daar te komen. Ik pakte mijn
spullen en vertrok, met haast.
‘Goedemorgen,
jij moet Lotte zijn!’ De niet zo grote man keek mij aan en ik keek hem aan. Er
verscheen een glimlach op mijn gezicht. ‘Ja, dat ben ik inderdaad! Dan moet u
zeker meneer Fabritius zijn? Goedemorgen.’ Hij keek me aan, met een blik van
herkenning, maar deze man kende ik niet. Dat wist ik zeker.
‘Vanwaar
deze afspraak Miss?’
Ik
keek de man twijfelend aan, en ik keek naar de foto van het schip. ‘Nou
meneer…’
‘Lotte,
noem me toch Caleb, anders voel ik me zo ontzettend oud.’
‘Haha,
nou Caleb, wat ik je nu ga vertellen zal heel raar klinken.’
‘Give
it a try’ antwoordde hij, en ik begon de gebeurtenissen te vertellen.
Ik
vertelde de man over het schip die ik op de foto had gezien, over Eveline met
haar rode haren en ik vertelde hem over het boek dat ik had zien liggen. Ik
vertelde over Mevil, de man met de grote hoed.
Caleb
keek me met grote ogen aan, toen ik eindelijk stopte met vertellen. En ineens
liep hij weg, hij liep naar achteren. Ik zat daar, stomverbaasd. ‘Ik had deze
man nooit moeten vertellen over dit alles, wat ben ik ontzettend stom geweest!’
Hij
kwam terug, met een kist in zijn handen. Met een doffe bons liet hij de kist op
de tafel neervallen. Hij pakte uit de kassa een sleutel en opende de kist. Ik
ging staan, zodat ik in de kist kon kijken. ‘Je bedoelt deze vrouw en deze
man?’ En hij pakte een schilderij.
‘Ja!
Dat is Eveline,’ ik wees naar de vrouw, ‘en dat is Mevil.’ We keken elkaar aan
zonder beiden ook maar een woord te zeggen.
Na
een minuut of 10 stilzwijgen, stond ik op. ‘Caleb, mag ik misschien in de kist
kijken of ik nog meer spullen zie die mij bekend voorkomen?’
‘Ja,
eh, ga je gang.’
Ik
zag aan zijn gezicht dat hij nog steeds geshockeerd was over het verhaal dat ik
hem 15 minuten eerder nog had verteld. Maar ik kon het niet laten, ik móést in
de kist kijken. Ik deed de klep open en ik zag het meteen. Het was het boek met
‘The floating death’ erop gegraveerd. ‘De sleutel’, ging meteen door mijn
gedachten.
‘Caleb,
dit boek komt mij heel bekend voor. Dit boek is het boek waarover ik vertelde.
Heb jij hier de sleutel van? Ik zou het graag inzien, als jij dat goed vindt.’
Hij
liep weer naar de kassa –waarom legde hij alle sleutels in zijn kassa, vroeg ik
mezelf af– en kwam terug met een sleutel. Het was niet de originele sleutel,
het was een sleutel uit onze tijd, het glom nog te veel. Ik nam de sleutel aan
en probeerde het uit op het slot wat op het boek zat. ‘Het past!’
‘Ja
Lotte, het past. Er is nooit een sleutel gevonden, dus heb ik deze laten maken
door een sleutelmaker.’
Ik
sloeg het boek open en tot mijn verbazing zag ik dat het een soort verhaal was.
Ik las de eerste pagina. Het ging over Mevil.
5. The floating death.
Hoofdstuk 1
Mevil zag iets glinsteren op een klein eilandje wat helemaal niet op de
kaart stond. Hij stuurde een paar mannen naar het voordek en ook een soort van
magiër Théoron ging zijn gedachten op het glinsterende ding houden.
Uiteindelijk wisten ze wat het was, een zwaard. Maar wat moest dat daar nou,
dat sloeg helemaal nergens op vond de kapitein Eveline, de eerste vrouwelijke
kapitein. We varen gewoon door waren de ordes van de kapitein, maar Mevil hield
vol en uiteindelijk mocht hij met wat mannen naar het eilandje om het zwaard te
halen. Wat een absurditeiten. Toen Mevil uiteindelijk op het eiland was, want
hij werd met een sloepje erheen geroeid door wat matrozen, ging het zwaard nog
meer glinsteren als dat het al deed. Hij kon haast niets zien maar ging er toch
op af. Eenmaal bij het zwaard trok Mevil het uit het zand en nam hem mee naar
de boot. Hij vond het raar dat het zwaard nu niet meer zo glinsterde, hij was
een beetje dof geworden. En toch bleef het een schitterend ding. Ook de
kapitein vind dat. Maar ze moesten weer verder varen anders zouden ze nooit op
tijd komen, want de winterslaap van de Magiër Marcus Mystery was alweer bijna
voorbij. Ze vaarden en vaarden, de Bitterzee leek geen einde te hebben. Wat de
piraten niet wisten was dat het zwaard iets magie-achtigs over zich heen had,
want ja wie gaat en nou lang naar een zwaard kijken. Het zwaard zorgde dat
Marcus wakker werd, want ooit vroeger had hij het in bezit en had er een spreuk
over gezegd zodat hij altijd zou weten wat er om het zwaard heen gebeurde en
wat de mensen dachten. Hij merkte dat de piraten op zoek waren naar hem, maar
bang was hij niet, want ja het waren toch een stel amateurs. Maar wat Marcus
niet weet is dat Mevil iets over zich heeft wat de vloek heeft opgeheven toen
hij naar het zwaard was gegaan. Want hij bekeek het ding aandachtig en zag dat
er een naam op het zwaard stond en las die hardop. Dat was het teken dat z'n
meester er was. Terwijl dat helemaal niet zo was, maar nu zag het zwaard Mevil
als zijn meester. Toen de stuurman de naam had opgenoemd, Emerald, begon het
zwaard ineens te gloeien en glinsteren. Het werd geactiveerd leek wel. Ineens
hoorde hij een stem, en dacht dat een matroos iets hoorde en naar beneden was
gekomen. Maar hij zag en hoorde verder niemand lopen, en dus zoeken wat er aan
de hand was. Uiteindelijk zag hij een soort gezicht in het zwaard, wat hem
aankeek met grote ogen. Emerald het zwaard was niet gewend dat andere mensen
met hem konden praten en Mevil schrok zich ook het rambam want welk zwaard kan
nou praten!! Ze waren zo'n vijf minuten naar elkaar aan het staren totdat het
zwaard sprak. ‘’Wie ben jij en waar is mijn meester? Je hebt me gestolen hè!’’
Nee ik heb je niet gestolen, ik vond je in het zand op een eilandje midden in
de bitterzee. Vanaf nu ben ik jouw meester. ‘’OJA? Dacht je dat?’’ Ja anders
gooi ik je zo overboord antwoordde Mevil. Oké oké rustig maar, we gaan elkaar
maar eerst even leren kennen hè, vind je ook niet? Ja je hebt gelijk. De naam
die op het zwaard stond, is dat jouw echte naam of is dat jouw meester z'n naam
soms? ‘‘Nee dat is mij naam, ik heet Emerald, beetje rare naam maar me meester
heeft hem gegeven. Sorry, mijn oude meester, dus die kan ik niet zomaar
veranderen. Dan ben ik namelijk ook gelijk alle krachten kwijt.’’ O, dat zou
zonde zijn, maar wat kan je dan allemaal Emerald, want een zwaard zijn lijkt me
nou niet echt een pretje want je kunt niks doen. ‘’Nee inderdaad, wat is jouw
naam eigenlijk?’’ Mevil, mijn naam is Mevil. ‘’Stoere naam hé, heette ik maar
zo! Maar goed weer terug naar het onderwerp, mijn vriend. Het is geen pretje
een zwaard te zijn, want je valt alle harde klappen op en soms heb je daar erg
lang last van. Zoals jullie hoofdpijn hebben kan ik ook pijn hebben, het lijkt
er erg op hoofdpijn alleen dan net iets anders. Verder, alle mensen die met dit
zwaard worden bevochten sterven, als mijn meester met hen aan het zwaardvechten
is. Dan laat ik een soort schok door de persoon heen gaan die uiteindelijk bij
zijn hart komt en zorgt dat z’n hart stopt met kloppen. Jullie noemen dat een
wáhode heb ik gehoord. Ik noem het
gewoonweg dat ik iemand heb vermoord.’’ Mevil die al een lange tijd stil had
zitten luisteren en knikken, ging nu eindelijk weer praten. Maar heb je dan
geen schuldgevoel, want als ik iemand vermoord blijf ik altijd er nog lang mee
zitten. Ja natuurlijk wel mijn vriend, natuurlijk houd ik daar last van. Maar
ik kan niet anders, ik kan niet zelf beslissen of ik iemand vermoord of niet.
Jullie mensen kunnen dat wel. Soms geef ik mensen geen schok, maar dan
doorboord mijn meester die persoon wel.
Zo ging de nacht erg snel voorbij, want het werd alweer een beetje
lichter. Bij het eerste daglicht zouden hij en de tweede stuurman met elkaar
wisselen van plek. Mevil nam afscheid van Emerald. Ze zouden elkaar gauw weer
zien. Mevil liep door de kleine deur en keek of niemand hem zag. Want hij vond
dat dit zijn geheim was, net als het geheim dat hij stiekem heel erg verliefd
was op Eveline. Mevil snelde naar het roer en zei tegen de andere stuurman; ga
maar slapen Cobus, dat heb je wel verdiend. Ik neem het nu weer van je over,
over 12uur zie ik je hier weer. Cobus liep weg en Mevil zat nog erg na te
denken over wat er nou allemaal gebeurt en gezegd was door Emerald.
Hoofdstuk 2
Wat zie jij er moe uit, beetje te veel kroezen bier op zeker. Nee
kapitein, ik kon niet goed slapen. Ik zat aan zó veel dingen te denken. Het
wilde gewoon niet lukken, toen ben ik maar even gaan lopen op het schip en ben
toen ergens in slaap gevallen. Mevil ga als de bliksem je bed in, straks ben ik
me schip nog kwijt aan jouw onverantwoordelijkheid. Ik neem het vanaf hier van
je over, als je weer wat uitgerust ben neem je het schip maar weer over, want 2
dagen bijna zonder rust kan niet. Mevil gehoorzaamde en ging naar zijn kajuit
die naast die van de kapitein was. Hij viel in een diepe slaap en begon te
dromen over een draak, die hij zou gaan verslaan met het zwaard Emerald. En dat
Eveline zo trots op hem zou zijn, dat ze zijn vrouw wou worden. Ze zouden
trouwen op het schip en hij zag haar dan voor het eerst in een jurk. Ja een
mooie droom vond ie het want hij lach met een grote lach in z’n bed.
Na 8uur te hebben geslapen
werd Mevil wakker. Hij had zo’n honger dat hij niet meer kon slapen. Hij ging
naar kokkie toe en vroeg om wat te eten. Hij kreeg een heel vol bord meet twee
lappen vlees en nog meer groenten en aardappelen. Hij kreeg twee porties,
waarom dat nu weer? Ach nou ja dat is het laatste waar hij zich nu druk om ging
maken. Hij schoof het eten naar binnen en ging weer terug naar z’n kamer. Toen
hij weer op bed lach voelde hij iets raars in zijn buik, een soort tinteling.
Hij draaide zich om en om en om, maar het ging maar niet weg. Toen ineens dacht
hij aan Emerald. Zou er wat met het zwaard zijn, en dat hij me zo waarschuwt. Nou
ik ga maar gauw heen voor er wat ernstigs is. Hij liep heel voorzichtig langs
de kamers waar sommige piraat -matrozen lagen te slapen. Soms werd hij
aangesproken maar kapte hij het gesprek gewoon een beetje af want straks verklapte
hij iets. Uiteindelijk nog twee keer omkerend voor hij door het kleine deurtje
ging, deed hij de deur open. Hij zag dat er een rode gloed om het zwaard heen
zat en rende naar Emerald. Wat is er met je! Je bent helemaal rood en ik voelde
allemaal tintelingen in mijn buik. Emerald die moeite had met praten
antwoordde; Ik word aangevallen door Marcus, Ik mag geen andere meester van
hem. Hij laat dit niet gebeuren, maar jij hebt meer kracht in je onschuldigheid
en hij kan het niet van je winnen. Hij blijft maar proberen, vandaar dat jij
ook meevoelde met deze strijd. Mevil die er helemaal niks meer van snapte want
waarom staat hij in contact met het zwaard. Emerald die zag dat Mevil er niks
meer van snapte en probeerde het uit te leggen, Mevil ik ben niet helemaal open
geweest over dingen die ik kan. Mijn meester heeft dan ook krachten. Jij kan
dingen voelen die ik voel, en je hebt claufisie. Wat is claufisie vroeg Mevil
aan het zwaard. Dat houdt in dat je mensen bloot stelt aan hun grootste
angsten. Je maakt het zoveel erger, dat ze zo bang worden dat ze sterven. Mevil
dacht even na en liet het tot zich doordringen. Hij kan mensen met een simpele
gedachte vermoorden. ‘En wat nou als ik dat niet wil?’ Het spijt me vriend, jij
bent de uitverkorene jij werd ook naar het zwaard geleid en nu zul je deze
krachten moeten accepteren, of je wilt of niet. Dat kwam erg hard aan bij
Mevil, want hij wil niet zo makkelijk mensen kunnen doden. Maar Veel tijd om na
te denken kreeg hij niet, want hij werd na een kleine tijd weer geconfronteerd
met weer die tinteling. Hij keek Emerald aan en ze wisten beiden dat het moest
stoppen. Het zwaard zei tegen de jongen dat hij kon regelen, dat hij met de
magiër kon praten zodat het over zou zijn. Of het zou ergere gevolgen hebben.
Nou ja dat wilde hij dan wel want dit was ook niet bepaald fijn. Emerald noemde
een bepaalde spreuk die niet verstaanbaar was en toen in plaats van het gezicht
van Emerald zag Mevil het gezicht van de magiër in het zwaard. Het was even
schrikken maar uiteindelijk begon hij te spreken. ‘’Waarom doet u zo vervelend
tegen mij en Emerald, want we hebben niks verkeerd gedaan. U bent degene die
wat fout heeft gedaan, anders zou dit zwaard nog in uw bezit zijn.’’ Mijn
jongen, niet zo brutaal doen hè, daar ben ik niet van gediend. Ik ben Emerald
kwijtgeraakt bij een gevecht met piraten. Zo nu en dan werd hij gevonden maar
niemand kon zijn meester zijn vanwege zijn krachten. Jij bent sterk en kunt die
krachten wel aan, wat ik erg vreemd vind. Mevil die er steeds minder van snapte
zei kortweg dat de magiër moest ophouden want het zwaard kreeg hij toch niet
terug. Oké mijn jongen, als het zo moet, wij zullen elkaar wel weer een keer
spreken, maar dan niet op deze manier. Nadat hij dat gezegd had verdween z’n
gezicht van het zwaard en was Emerald weer gewoon normaal.
Mevil had geen last meer
van een tinteling en Emerald had geen last meer van de vervelende magiër.
Hoofdstuk 3
Ineens hoorde Mevil voetstappen in de nabijheid. Het zou nog even duren
of iemand ontdekte wat er met ‘het zwaard’ aan de hand is. Hij moest snel
handelen, want Emerald gaf zó veel licht dat dus echt wel zou opvallen. Hij
besloot het zwaard met zijn oude zwaard om te ruilen. Hij haalde het oude uit
de schede en deed Emerald er in de plaats voor in. Gauw verstopte hij het oude
zwaard achter wat kisten en zelf moest hij er ook bij gaan zitten want hij
hoorde de deur opengaan. Er kwam iemand binnen met een klein lantaarntje. Het
was Eveline. Wat moest zei nou hier! Ze zocht achter spullen naar iets, wat
ze blijkbaar gevonden had. Er zat een kleine lach op der gezicht toen ze iets
tevoorschijn haalde wat piepte. Ze gaf een muis een stukje beschuit.
Wat een schat is het ook, dacht Mevil. Na een klein tijdje zette ze het
muisje weer op de grond en ging ze weg. Mevil was opgelucht dat ze hem niet had
gezien. Hij liep zachtjes en voorzichtig naar de deur om polshoogte te nemen.
Toen het er rustig uitzag en hij niks hoorde ging hij door de gangen. Toen kwam
hij bij een trap waar hij heel voorzichtig op liep zodat niemand hem zou zien.
Hij was in de buurt van zijn kamer en snel glipte hij naar binnen. De deur deed
hij op slot, gewoon voor het geval dat. Emerald haalde hij uit de schede. Mevil
legde het zwaard op het bed. Tot zijn verbazing was er geen fel licht meer en
óók geen gezicht. Zacht zei Mevil; Emerald ben je daar nog? Hij kreeg geen
antwoord. Emerald! Hij riep nu haast, want hij schrok een beetje. Er klonk een
klein piepstemmetje. Mevil, ik ben erg uitgeput door dit voorval. Morgen ben ik
weer helemaal de oude, het zou fijn zijn als je me rustig liet slapen. Ok
Emerald. Tot morgen zal ik je met rust laten.
Bedankt, klonk het zachtjes.
Mevil liep naar het dek toe. Daar zag hij de kapitein staan, en liep
naar haar toe. ‘Ik ben weer helemaal uitgerust Eveline, mag ik nu gewoon weer
aan het roer?’ Ja natuurlijk gek, hup ga er heen dan, klonk het een beetje
flauw. Beide moesten ze een beetje lachen om het feit dat hij helemaal
toestemming had gevraagd aan der. Mevil, zou je tegen Cobus willen zeggen dat
hij de avond vrij heeft? ‘Is goed kapitein, komt voor elkaar’.
Théoron stond bezorgd naar het uitzicht te kijken. Hij zag dat er
wolken aankwamen en had het gevoel dat er hele erge storm zou komen.
Eveline, die hem zo zag kijken ging naar hem toe en vroeg wat er was. Hij legde
uit dat er storm zou komen, en niet zomaar een klein stormpje. Het is
veroorzaakt door een magiër, zei Théoron. Ik heb zo’n gevoel dat het Marcus is.
Ik denk dat hij doorheeft wat we willen gaan doen. Maar wat het erge aan zo’n
storm is dat ze tien keer zo erg zijn. Dus ik weet niet hoe dit zal aanpakken
voor ons. Het gezicht van Eveline betrok en ze liep zonder wat te zeggen naar
haar hut.
Hoofdstuk 4
De storm begon op te laaien, iedereen was gestresst aan het helpen. Eén
zeil moest gereefd worden en ook een tweetal zeilen moesten worden
gestreken. Het was echt een enorme klus
om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen.
Het water klotste over de reling en daar
ging piet, een matroos. Hij hield zich vast en redde het net op het nippertje.
Zoveel mogelijk matrozen gingen in hun slaapvertrekken zitten, want het
was gewoon geen doen daar op het dek. Ze waren zo bang, dit hadden ze nog nooit
meegemaakt. De storm werd alsmaar erger en erger. Het was op een gegeven moment
zo erg dat Cobus en Mevil samen het roer vast moesten houden. Want Cobus hield
het niet meer alleen. De kapitein was naar de slaapvertrekken gegaan om de
matrozen rustig te houden. ‘Als het schip het niet meer houd, neem dan zoveel
mogelijk eten en spring met iedereen op de reddingssloepen.’ Maak je dan om mij
geen zorgen, zei ze. Ze zag zoveel angst in de ogen van de mannen en toen ze
dat gezegd had was het alleen maar erger geworden. ‘’Zijn jullie nou piraten?
Stelletje landrotten, had thuis gebleven! Verman je zover het lukt, we hebben
goede mensen aan boord.’’ Toen eveline dat gezegd had, leken de mannen wat
rustiger te zijn geworden. Ze ging dus weer terug naar de stuurmannen om te
kijken hoe het hun afging.
Ze kwam net aangerend toen het gebeurde…Het roer werd door een
windvlaag met een ruk omgegooid, waardoor Cobus zijn evenwicht verloor. Hij
viel over de reling recht in de golven, die over het schip zouden slaan. Mevil
wou erachteraan springen maar de kapitein hield hem tegen. Ze zagen beide hoe
Cobus naar beneden werd gezogen en vervolgens werd de golf over de boot
‘’uitgespuugd’’. Daar lag Combus, dood op het dek. De matrozen renden
erheen om te kijken wat er gebeurt was, maar er viel niets meer te doen. ‘’Het
spijt me Mevil, dat je je vriend zo hebt moeten verliezen maar we moeten nu
echt hier blijven met deze windstoten. Je weet nooit wat er zal gebeuren.’’
Schreeuwde Eveline boven de wind uit.
Net op het moment dat ze beide dachten dat het over zou zijn, met de
wind en golven, hoorden ze een vreselijk gekraak van beneden. Er zat een lek in
de boot! Er was nu nog meer chaos op de boot, en Eveline kreeg de bemanning
maar niet stil. Ze greep toen een matroos beet. ‘Jij gaat helpen bij het roer,
of je nou bang bent of niet. Anders ga je sowieso ten onder!’ Eveline rende
naar beneden om te kijken wat er allemaal stuk was. Ze schrok zich dood…De hele
onderkant was een gat van 30 duim breed en 50 duim lang in. Het water stroomde
heel hard naar binnen. Ze stuurde wat mannen ernaartoe, om te zorgen dat het
een kleiner gat zou kunnen worden. Maar het had weinig nut. Ze rende weer naar
boven, naar het voordek nu. Ze keek goed zover dat lukte en zag pas in de verte
een eiland. Dat is hun redding als ze het kunnen redden, dacht ze. Ze riep
iedereen bijeen en liet alle mannen
helpen met het hijsen van de zeilen. Dan zouden ze misschien genoeg
vaart hebben om er net op tijd te kunnen komen. Iedereen wist z’n plaats en
deed goed z’n best omdat ook hun wisten dat dit hun laatste kans was.
Het hielp… Met een enorme vaart voeren ze op het eiland af, wat steeds
dichterbij kwam. Maar de storm werd ook erger. En of ze het zouden halen was
voor hun allemaal de vraag.
Het zag er naar uit dat ze het zouden halen, riep Mevil naar de
kapitein. De mannen die dat natuurlijk ook hoorden werden allemaal stuk voor
stuk opgelucht. Maar nu een probleem dacht de kapitein, hoe kunnen we met deze
vaart het anker laten zakken. Maar toen ze net een oplossing had weten te
bedenken was het al te laat. Ze voelde de boot over de bodem van de zee varen.
Ze zouden de kant rammen! Dat maakte eigenlijk vrij weinig uit, want de
onderkant lag toch al helemaal in de puin.
Iedereen viel voorover, de
boot was aan land…Ook al hadden sommige een beetje pijn, ze waren blij dat ze
het gered hadden naar dit eiland. Ze lieten gauw de touwladders zakken zodat ze
van de boot konden. Het was dringen en duwen, totdat de magiër een waarschuwing
gaf; Als je wilt blijven leven, ga dan niet alleen op pad op dit eiland. Er is
hier iets wat niet goed is. De kapitein en Mevil keken elkaar even aan en
gingen toen met de touwladder naar beneden.
Hoofdstuk 5
Toen iedereen op het vaste
land was, schrok Mevil zich rot toen hij aan z’n schede voelde. Hij was Emerald
vergeten!! ‘’Ehm, kapitein, ik ben wat vergeten…Is het goed als ik even me
zwaard haal?’’ zei Mevil een beetje aarzelend. Ja, haal ‘m maar, je weet nooit
wat voor mafketels je op zo’n eiland als dit zult tegen komen, hahaha..
Mevil snelde zich naar
boven en rende naar z’n kajuit. Daar lag Emerald, helemaal tot rust gekomen. ‘’
Slaap je, Emerald?’’ Nee ik was wakker geworden van die enorme bonk van de
boot. Wat was dat allemaal voor ongein? ‘’Nou eh, de boot is helemaal stuk en we zouden het nooit verder hebben gered
als dit eiland. We zijn op dit eiland gevaren met een enorme vaart. Vandaar die
grote bonk.’’ Jullie ook, kan je dan
helemaal niet varen.. Maar goed, je kwam me zeker halen. Nou kom op dan, dan
gaan we dit eiland een beetje bekijken misschien zijn er nog wat leuke vrouwen
voor je hier, of heb je die al gevonden? zei Emerald een beetje gemeen. Daar
ging Mevil niet op in en deed ‘m in de schede. Hij liep weer over het dek naar
de touwladder waarop hij weer naar beneden klom en zo kwam hij bij Eveline aan.
‘’Zo we zijn compleet, we
gaan maar eens op onderzoek uit. Heb je nu alles wat je nodig denkt te hebben?
En alle anderen ook iets van een dolk of een zwaard?’’ Ja kapitein, we gaan!
Klonk ’t van meerdere mensen. Ze liepen door een soort woud heen, maar hoeveel
verder ze ook liepen, ze kwamen niks of niemand tegen. ‘’Wat een stink eiland
is dit! Hebben ze niet even een leuke herberg ofzo ik heb trek in bier.’’ Zei
een van de bemanning. Ach joh hou je mond toch, hier heb je wat vocht. Er werd
een waterzak naar hem gegooid. Ze liepen verder, tot ze in de verte een rookwolkje
zagen.’’ Ssst, nu stil zijn allemaal straks zijn het menseters of geesten. Hou
je wapen gereed om aan te vallen voor het geval dat er iets gebeurt.’’ Zei
Mevil
Ze liepen voorzichtig
verder totdat ze dichtbij genoeg waren om te zien wat voor ‘’dingen’’ er
gebeurde. Ze zagen dat het doodgewone mensen waren, nou ja doodgewoon…..
Een van de bemanning gaf
een gil en viel met een harde klap op de grond. ‘Wie zijn jullie
vreemdelingen?’ Iedereen deed een stap achteruit en voorzichtig begon Eveline
te praten. Wij zijn de bemanning van het schip aan de andere kant van dit
eiland. We wilden onze vracht veilig over de Bitterzee vervoeren, maar we
kwamen in een storm terecht waardoor het schip kapot was gegaan. In onze haast
om het te overleven zijn we naar dit eiland gegaan, snap je meneertje? ‘Heu!
Riep een dikke man met grote baard en grijs haar. Niet zo brutaal wijfie, daar
houden wij niet van hè mannen…’ hehehe, nee popje zei een van de enge ventjes
om haar heen.
Oké rustig maar, we zijn
alleen maar handelaren wat kunnen wij jullie nou maken? Ze hoopte dat de
eilandbewoners er in zouden trappen. ‘Oke kom maar mee, maar laat je wapens
hier, want dat vertrouw ik voor geen cent.’
Met aarzeling deden ze wat
er gevraagd werd, want dan hadden ze nog een kans. Er liepen een paar mannen
naar de geslagen piraat en tilden hem naar het kamp.
De mensen in het kamp
keken raar op toen ze de piraten zagen.
Wie zijn deze mensen,
vroeg lenny. ‘Dit zijn handelaren en ze hadden panne met de boot. Ze konden nog
net hierheen varen, meneer.’ Oké breng die dame en die man met dat mooie petje
eens dichterbij. Zo, en wie zijn jullie dan wel?
Beste meneer, ik ben
Eveline de kapitein van het schip en dit is mijn stuurman Mevil. Wij hebben
geen kwade bedoelingen, verre van dat. Wij willen alleen onze boot maken en dan
zo snel mogelijk onze handel naar Piromouth brengen.
‘En hoe kunnen we jullie
geloven, vroeg lenny.’
Hahaha, dat lijkt me
makkelijk. Ik heb een schip vol met thee en wil dat graag veilig wegbrengen. U
kan best het schip doorzoeken hoor, dan zal u het zelf zien. Maar ons
uitmoorden lijkt me een beetje onnodig. We willen alleen ons schip maken en
daar zullen we een paar weken voor nodig hebben. Mevil die er maar bij stond
begon ook te praten, als wij piraten zouden zijn zou u het wel merken aan onze
kleding.
‘Daar heb je wel een punt,
jongeman. Ok, we geloven jullie. Jullie kunnen zo lang bij ons blijven en we
zullen helpen het schip te maken. Samantha, deze mooie dame hier zal zorgen dat
er wat bedden gereed worden gemaakt voor jullie.’
Samantha liep naar een
groepje mannen en liet hun een tent opzetten, ook liet ze een paar dames stro
halen voor de bedden.
Toen dat allemaal klaar
was ging de bemanning van the floating death, na een maaltijd uitrusten in hun
tenten. Mevil en Eveline moesten samen in een tent. Dat vonden ze beide niet zo
erg, alleen bij Mevil om een andere reden.
Hoofdstuk 6
Toen ze ontbeten hadden gingen ze met hout en spijkers naar de boot. Ze
hadden mensen mee uit het kamp, want ze bleken best aardig te zijn die
bewoners.
Het begon steeds meer te lijken en met de dag werd de boot weer
bruikbaarder. Ze waren nu al 3 weken op het eiland en zouden dus misschien
binnenkort weer weg kunnen. Sommige mannen waren verliefd geworden op de
vrouwen van hier en andersom ook.
Zo ook Samantha die was verliefd geworden op Mevil. Alleen was het niet
wederzijds, Mevil kon Eveline maar niet uit z’n hoofd krijgen. Zo ging hij die
avond met Samantha een stukje lopen, om haar te vertellen wat hij nou werkelijk
voor haar voelde. Ze praatten en praatten, en toen vertelde hij het ‘Samantha
ik vind je erg mooi en lief, maar mijn hart is al door Eveline bezet. Het spijt
me maar ik ben al jaren verliefd op Eveline en ik houd van haar.’ Ze kon het
begrijpen ook al vond ze het helemaal niet leuk, maar wat moest ze dan…
De volgende dag zouden ze vertrekken, dus ze gingen de laatste dingen
aan ’t schip in orde maken. Hier en daar nog een kleine gebrekkigheid
herstellen, en het schip was nu weer helemaal bruikbaar. Het werd al donkerder,
en het was al tegen het avondeten, toen de bemanning en de eilandbewoners terug
liepen naar het dorp. Maar wat de bemanning niet wist was dat er een
afscheidsmaal en een feest waren geregeld door de vrouwen. Ze stonden te kijken,
en de tranen sprongen hen in de ogen. Dat lieten ze natuurlijk niet merken,
want het waren immers piraten, dus knipperden ze gauw de tranen weg. Ze gingen
met z’n allen aan het eten en de avond was gezelliger dan alle andere avonden
dat ze op ’t eiland waren. Er werd gefeest alsof dit hun laatste dag te leven
was, en het bier en wijn vloog in het rond.
Het was ochtend, het afscheid was genomen. Sommigen wilden mee, anderen
bleven op Schieland. Het afscheid was voor de meeste erg zwaar gevallen, dus de
sfeer op ’t schip was erg doods. Later in de avond was de sfeer weer redelijk
terug. Ze gingen praten en wat drinken met z’n allen, dat was weer erg
gezellig. Maar Mevil deed niet meer, hij ging naar beneden. Hij moest Emerald
weer verstoppen.
‘Emerald? Ben je daar?’ Nou.., ik was met Marcus aan het praten. Hij
heeft jullie al vanaf het begin door. Hij weet alles wat hij weten wil, en weet
ook dat jullie nu vlakbij Snatsie eiland zijn. ‘Maar..maar hoe kan dat dan? Hoe
kan hij dat nou weten? Théoron kan dat zelfs niet precies weten. Hoe!? Hoe kan
dit?’ Mevil luister, hij is de beste en sterkste magiër van de wereld. Dat is
een feit. En dus kan hij alles doen, wensen en maken wat hij wil. ‘De smiegt!
Dan heeft dus niemand een privé leven…’ Ja dat is zo, maar wat wou je eraan
gaan doen? Er valt niks aan te doen mijn vriend. ‘ Er moet een mogelijkheid
zijn hem te stoppen, het moet!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten