Ze voelde de wereld onder haar voeten vandaan glippen. Het leek of zij de meest griploze schoenen aan had en of het dagen en uren had geregend. De grip op alles was verdwenen, de afgrond leek dichterbij dan het puntje van de bergtop.
Daar gleed weer een steen de afgrond in. Ze verzwikte haar been en ze gleed nog een stuk naar beneden. Haar veiligheidsharnas was losgebroken. Geen enkele veiligheid had zij meer om zich heen. De steen hoorde zij ondertussen met een doffe plof op de grond vallen.
Hoe moest zij deze berg nu beklimmen zonder een werkend veiligheidsharnas, dacht ze. Dit was onmogelijk, dit kon niet. Ze had veiligheid nodig, zonder zou ze niet kunnen klimmen. Ze gleed verder en bleef vast zitten in een modderpoel. Ze trok haar voet omhoog, maar haar schoen zat vast. Voor ze het wist had ze een idee. Haar schoen zou ze toch niet meer nodig hebben, grip gaf het haar toch niet. Ballast was het. Ze trok haar veters los en liet de schoen staan, terwijl ze een stap deed. Meteen deed ze ook haar andere schoen uit. Alleen maar ballast.
Snel kwam ze weer overeind. Duizeligheid voelde zij in haar hoofd. Ze zette haar benen uit elkaar om zo grip te krijgen op de grond. Het werkte, ze werd rustig en de duizeligheid verdween. Ze zette een stap naar boven. Nog een stap, en nog één. Ze liep langs een bosje en haar broek bleef haken achter een tak. Schoppend en slaand probeerde zij zich los te wurmen van de tak, het werkte niet. Uit haar zak viste zij een zakmes. Ze sneed haar broek tot een kort broekje, zodat ook hier geen vertraging meer door kon ontstaan. Nu kon ze weer vrij lopen.
Ze kreeg dorst en pakte haar flesje water uit haar rugzak. Bij zichzelf dacht zij, ik ben blij dat ik het flesje nog heb. Een mens heeft nu eenmaal wel eens kracht nodig om door te kunnen gaan. Tijdens het drinken rustte het meisje op een steen. Daar zag ze een vlinder vliegen. Een mooie felgekleurde vlinder. Ze stond op, borg haar flesje op, deed haar tas weer om en ging verder lopen.
Klauterend op handen en voeten kwam ze stapje voor stapje verder. De vlinder bleef voor haar uitvliegen. Deze vloog ineens heel wild. Het dier vloog om haar hoofd en daar vandaan naar beneden. Weg was de vlinder. De rest van de tocht zou ze alleen moeten doorstaan. Toen zij de vlinder met haar ogen achterna was gegaan had zij gezien hoe ver zij onbewust al gekomen was. Omhoog kijkend kwam zij er achter dat zij halverwege haar tocht was.
Ze klauterde verder. Tijdens het klimmen kreeg ze het ontzettend heet. Snel stroopte ze haar mouwen op en deed haar haar in een staart. De zon stond pal op haar gezicht gericht. Uit haar rugzak viste zij haar zonnebril. Dit moment was het dat zij oog in oog stond met een grote boze bok. De bok keek haar aan en maakte zich gereed om op haar af te komen rennen. Het dier had haar al even gevolgd, maar nu zij zich had omgedraaid kwam de agressie in het dier naar boven. Het rende en rende. Het meisje wist niet wat ze moest doen, dus hield ze haar tas maar voor zich uit. De bok rende tegen de tas aan en per toeval bleef de tas hangen achter een van de hoorns. Hij kon haar niet meer zien en rende verder en verder.
Het meisje was nu niet heel erg ver van de top van de berg. Ze was benieuwd wat voor avontuur er nu weer op haar stond te wachten en of er nog wel een avontuur op haar stond te wachten. Haar voeten waren moe, haar handen zaten vol met sneeën en haar rug deed zeer van het gebukt lopen. Drinken en eten had ze niet meer. Liggend op een klein stukje gras viel het meisje in een onrustige slaap.
In haar droom gebeurde van alles. Ze droomde over een draak die iets duidelijk probeerde te maken. Een blauwe olifant liet haar huilen, een vuurzee omringde haar en de kou vatte haar blote lichaam. Ze voelde een lans in haar buik. Grijpend naar haar buik slaakte ze een kreet en ze schrok wakker. Het zweet stond op haar voorhoofd en borst. De steken in haar rug voelden vreselijk. Haar voeten deden nu vreselijk veel pijn, haar handen waren door de droge lucht nog kapotter dan de vorige dag. Het meisje kon bijna niet verder.
Toch stond zij langzaam op. Ze zou vechten tot het bittere eind. Ze zou lopen, klauteren, kruipen desnoods, maar ze zou het einde halen. Het meisje zou bereiken wat zij moest bereiken. Het hoogtepunt van haar leven. Vechten zou ze voor haar dromen. Kracht voelde zij naar binnen stromen. Ze voelde zichzelf net als een dieselmotor, moeite met de start maar eenmaal een paar stappen, meters afgelegd was ze op gang. Door gaan en niet stoppen, dacht ze.
Ze deed haar ogen dicht en klauterde op deze manier verder, heel voorzichtig en tergend langzaam. Tot haar verbazing voelde zij op een gegeven moment géén stenen en aarde meer voor zich. Haar linker hand greep in het niets. Het meisje opende haar ogen en zag dat ze aan het einde van haar reis was gekomen. Ze was tot het einde van de berg gekomen. Haar helse tocht werd beloond met het meest geweldige uitzicht ooit. Langzaam ging het meisje opstaan. Ze stak haar armen in de lucht en schreeuwde. Ze schreeuwde ontzettend hard, de hele wereld mocht horen dat zij uit het dal was gekomen en de berg had beklommen. Ze had het gered, ze was op de top van de berg.
Wat het meisje schreeuwde was een geheim, maar wat ze wel verklapte was dat het een naam was die zij had geschreeuwd. Een naam die voor altijd in haar gedachten zou blijven.






