vrijdag 7 september 2012

De mooie, witte vredesduif.

Aangedaan staarde het meisje voor zich uit. Ze had iets gehoord wat ze niet horen wilde. Juist nu wist het meisje weer hoe vreselijk dichtbij de dood kon zijn. Zo dichtbij als het lopen op straat en verongelukken. Toch kon het meisje niet écht verdrietig zijn. Ze vond het vreselijk, maar ze stond niet in brand. Diep van binnen wist het meisje namelijk ook wel dat de dood maar een vorm was voor het proces naar de eeuwigheid. Waarvan het de eeuwigheid zou zijn wist ze niet, maar ze hield zichzelf altijd voor dat er iets was na het proces van dood gaan. Iets moois, iets simpels, iets wat wij allen niet kunnen voorstellen, iets. Daarom kon het meisje niet meer immens verdrietig zijn wanneer iemand van het leven was beroofd. Ze wist dat diegene ergens anders terecht zou komen en dat de ziel op die plek door zou blijven leven. Het geluk tegemoet gaande. 

Als een vogel vloog je weg, de vrede tegemoet. Pas nu weten we allen wat voor vogel jij bent geweest, een mooie, witte vredesduif. Open je vleugels, en fladder. Fladder tegemoet wat jij tegemoet wil gaan, maak je weg af. Alleen zijn doe je niet, iedereen is bij je, jij bent bij iedereen. In onze harten zullen al die mooie vogels blijven bestaan, voor altijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten