Het meisje keek naar de grond, hij keek haar aan. Het vuur stond in zijn ogen. Hoe kon zij dit doen, hoe kon zij hem dit aandoen? Uitgerekend hem moest zij kwetsen. Het vuur brandde door zijn hele lichaam. Hij wilde haar slaan, hard. Zo op haar hoofdje, zodat ze nooit meer iemand kon kwetsen. Hij bedacht hoe het zou zijn om haar een keiharde schop te geven, om haar tegen de muren aan de smijten, om in haar gezicht te kwatten. Hij hield zich in. Ze keek hem nu aan, en ze wist dat hij haar misschien weer zou slaan. Dit deed hij vaker. Ze was al heel vaak bij hem weggegaan, maar elke keer dreigde hij weer met enge dingen. 'Ik maak je kapot,' had hij de laatste keer gezegd. Toen zij naar de politie was gegaan, werd er helemaal niks aan gedaan, ze had geen bewijzen. Het liet hen koud. Het liet iedereen koud, want iedereen nam altijd maar aan dat de smoesjes die zij verzon om de blauwe plekken te verklaren geen smoesjes waren. Ze zei tegen hem: 'Ga je me weer slaan? Dat is het enige waar je goed in bent namelijk.' Hij begon te beven. Het meisje zag zijn handen trillen en ze wist dat ze binnen nu en 3 tellen zou moeten bukken. Dat deed ze. Het meisje bukte en hij miste haar. Zij gaf hem een knietje en zei: 'Voor jou tien anderen.' Ze liep weg en smeet de deur achter zich dicht. De deur die ze nooit meer door is gegaan.
maandag 28 november 2011
Voor jou tien anderen.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten