Het meisje keek uit het raam en ze voelde de kou langs haar heen gaan. Ze staarde naar die ene regendruppel, die aan de tuinstoel hing en dreigde te vallen. De druppel viel nog niet, maar hij werd groter en groter. Ze volgde, met volle aanwezigheid, wat de druppel zou doen. Als de druppel nu zou vallen, dacht ze, dan zou hij tussen alle andere druppels op de grond liggen en zo een plasje vormen. Als de druppen niet zou vallen, dacht ze, dan kon zij het aankomende uur nog even genieten van het schouwspel van de vallende druppels. Ze hoopte van harte dat dit laatste het geval zou zijn.
Maar de druppel viel. Het leek een eindeloze val te zijn. Het meisje had het liefst met haar hand de druppel opgevangen en deze tot haar genomen. Zo zou de druppel niet in het niets zijn verdwenen, maar voor altijd in haar lichaam blijven. Maar dat zou een leugen zijn, wist zij.
- Ze liep naar buiten en keek met beiden ogen in het plasje water, waar de druppel zojuist in was gevallen. Tot haar verbazing zag zij niet zichzelf in de weerspiegeling van het water. Nee, ze zag een zwarte schim in de weerspiegeling. Een zwarte enge schim. Het meisje draaide zich om, en voor ze het wist maakte zij een eindeloze lange val. 'Plok!' en daar lag ze, tussen allemaal andere gevallen mensen. -
Het meisje opende haar ogen. Ze voelde zich fit en vrolijk, ondanks dat het buiten regende. Ze keek door het raam en zag een zelfde druppel hangen aan de tuinstoel. Ze wist, dat daar een mensje naar beneden zou vallen en dat het mensje haar zou zien. Ze zwaaide, en de druppel viel naar beneden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten